Fluweelzachte trompet, melancholieke zang

Op 13 mei 1988 viel Chet Baker in Amsterdam uit het raam van een hotel. Zondag wordt een ode gebracht aan de jazzlegende.

Een trompet, een krans en een foto van Chet Baker tegen een boomstronk. Een tijdje vormden deze attributen een onofficieel monument op het pleintje voor het hotel in Amsterdam waar Baker overleed. Sinds 1999 hangt er een plaquette aan de gevel van hotel Prins Hendrik: ‘Hier stierf trompettist en zanger Chet Baker op 13 mei 1988. Hij zal voortleven in zijn muziek voor ieder die wil luisteren en voelen’. Binnen hangt een koperen bordje op een van de deuren: ‘Chet Baker Room’. In de kamer zelf vind je, op een ingelijst krantenknipsel na, weinig „toeters en bellen”, zegt de hotelier. Zo eens per half jaar wordt er gevraagd om de kamer waar de Amerikaanse trompettist uit het raam viel en verongelukte.

Chet Baker is een muzikant met een mythische status, niet in het minst door zijn beklagenswaardige dood op 58-jarige leeftijd. Zondag is het 25 jaar geleden dat hij stierf en is er in het NH-Barbizon Hotel een herdenkingsbijeenkomst. Met naast beelden van Bakers concert in Tokio uit 1987 met een deels Nederlandse band, een lezing van Jeroen de Valk, auteur van Chet Baker, herinneringen aan een lyrisch trompettist.

Het stoort bewonderaars dat Bakers verslaving de boventoon voert in tal van publicaties. Zoals in Deep in a Dream: The Long Night of Chet Baker van New York Times-journalist James Gavin, die Baker neerzet als een roekeloze junk die overal lak aan had. Ook de film Let’s Get Lost van Bruce Weber geeft totaal geen representatief beeld, aldus De Valk: „Weber portretteerde Chet als een wrak, en zichzelf als de nobele herontdekker.”

Baker werd in 1929 geboren als zoon van Ierse ouders in het plaatsje Yale in Oklahama. Hoewel zijn muzikale loopbaan getekend was door zijn heroïneverslaving, was Baker natuurlijk méér dan die verdomde drugs. Hij was een markante solist die het publiek in vervoering wist te brengen met een lyrische, intuïtieve manier van spelen, met fluweelzachte blaaslijntjes en melancholieke zang. Hij was een idool, een trompettist met een James Dean-achtige allure, een zoetgevooisde zanger die steeds weer tot de verbeelding sprak. Ook in zijn mindere jaren –gepijnigde blik, ingevallen wangen en een tandeloze mond –had hij magische oplevingen in zijn concerten.

Begin jaren vijftig was Chet Baker een van de sterren van het Gerry Mulligan Quartet in Californië en trok hij de aandacht van het jazzlabel Pacific Jazz Records. Met het Chet Baker Quartet maakte hij typische West-Coast-jazz uit Los Angeles en San Francisco, als zachtere tegenhanger van de New Yorkse hard bop. De platen bezorgden hem faam als ‘great white hope’ onder de jazztrompettisten. Maar vooral de platen waarop hij zowel trompet speelt als zingt (Chet Baker Sings uit ’54), op die bekende androgyne, dromerige manier (My Funny Valentine), maakten hem tot een glamouridool.

Baker haalde in die tijd de top van alle populariteitspolls in muziekbladen, daarmee Miles Davis en Dizzy Gillespie achter zich latend. In september 1955 gaf hij, voor het eerst in Europa, concerten in het Concertgebouw en het Kurhaus. Dat daar indrukwekkend en helder werd gespeeld, bewijst de cd Chet Baker: Indian Summer – een klein jazzmonument uit de serie ‘Jazz at the Concertgebouw’ met authentieke registraties van impresario Lou van Rees. Gezien het feit dat bijna iedereen in de band zo goed als dagelijks verdoofd was, was het een wonder dat er zo goed gespeeld werd.

Chet Baker maakte lange Europese tournees. Hij werd een aantal keren opgepakt voor overtredingen van de narcoticawet. Nadat hij in elkaar was geslagen en zijn voortanden had verloren, funest voor een trompettist, stopte hij langere tijd met spelen. Na diverse afkickpogingen keerde hij in 1973 weer terug naar New York. Een soort comeback, die niet lukte. De Amerikanen kregen genoeg van zijn steeds futlozere , instabiele optredens. De jazzprins verloor in eigen land zijn glans.

In Europa hield vooral de Nederlandse impresario Wim Wigt Chet Baker met lucratieve tours aan het werk. Baker ging daar gretig op in. Niet in de laatste plaats om Amsterdam, de stad waar hij zich een tijd vestigde. En waar de verleiding het altijd weer won van de muziek. Hij werd regelmatig gezien op de Zeedijk. De tournees van Baker werden overeind gehouden door Peter Huijts, de in 2005 gestorven tourmanager die voor impresario Wim Wigt werkte.

En toen was er die mysterieuze dood, een val uit het hotelraam op 13 mei 1988, omstreeks drie uur ’s nachts – voer voor speculaties. Zelfmoord, moord door een niet-betaalde dealer of de ‘keurige’ versie: dat hij op de vensterbank in slaap was gevallen?

Nuchter was hij in elk geval niet. Biograaf Jeroen de Valk houdt het op een ongeluk. Zijn kamerdeur was van binnen afgesloten. „Een moordenaar had van buitenaf door het raam, met een bergbeklimmersuitrusting, de kamer moeten binnenkomen. En er waren geen sporen.” Het verhaal van de vermoorde jazzmuzikant is natuurlijk sensationeler.

Een dag vóór zijn dood dook Chet Baker nog op in het Rotterdamse jazzcafé Dizzy. Gejuich toen hij twee nummers meeblies met de band van pianist Rob van Bavel. Het bleken Bakers laatste noten – voor hij op de trein naar Amsterdam stapte.

Zondag 12 mei herdenking Chet Baker, 14.00 uur NH-Barbizon Hotel, Prins Hendrikkade 59, Amsterdam. Aanmelden: fred@jazzimpuls.nl. Tournee Remembering Chet Baker, 20 concerten, www.jazzimpuls.nl