Elk rood bloedlichaampje is de opoffering waard

Trainen op grote hoogte heeft voor wielrenners hetzelfde effect als epo, maar dan legaal en natuurlijk. Wel moeten wielrenners grote opofferingen brengen voor zo’n verblijf op hoogte: fysiek malheur, maar ook intense verveling. „Ik zou het geen hotel noemen wat daar staat. Eerder een Oostblokbunker.”

Een renner op de Col d’Aubisque, een bergpas in de Franse Pyreneeën. Foto AFP

Hoog in de wolken, ver boven de boomgrens, waar sneeuw ligt die nooit smelt en waar ooit slechts marmotten en halfgare kluizenaars leefden, woont nu regelmatig een peloton wielrenners op een kluitje. Bradley Wiggins, Vincenzo Nibali, Robert Gesink en nog een stuk of veertig andere renners verbleven in de aanloop naar de Giro d’Italia wekenlang op een kale vulkaan op Tenerife. En allemaal waren ze gekomen voor één ding.

De lucht.

Lucht met weinig zuurstof, daar draait het om. Want lichamen die een tijdlang worden blootgesteld aan weinig zuurstof maken extra rode bloedlichaampjes aan. Die rode bloedlichaampjes zijn voor duursporters als tickets in de loterij: hoe meer ze er hebben, hoe groter de kans dat ze winnen. Eigenlijk simuleren hoogtestages het gebruik van epo, maar dan wel legaal en natuurlijk. In de woorden van Argos-renner Tom Stamsnijder: „Als je het schoon wilt doen, dan moet je af en toe een tijdje op een berg wonen.”

Decennialang vertrekken wielrenners al op hoogtestage om belangrijke wedstrijden voor te bereiden, maar niet eerder was de vlucht naar boven zo massaal als nu. Louis Delahaije, ‘chef hoogte’ van de Blanco-ploeg: „Er wordt wetenschappelijk steeds meer bekend over het effect van hoogtestages; trainers kunnen meer en meer per individu toespitsen hoe lang ze op hoogte moeten blijven en welke trainingsprogramma’s ze moeten uitvoeren. Met hoogtestages kun je vooral het verschil maken in de voorbereiding op de grote rondes. En daarom zit bijna iedereen tegenwoordig op zo’n berg, steeds vaker per seizoen. Het is een rat race.”

Maar hoe enthousiast de wetenschap ook is over hoogtestages: voor veel renners is het verblijf op hoogte een aanslag op hun fysiek, en hun moraal. Ze zijn weken weg van huis, voelen zich de eerste dagen alsof ze ademen door een rietje – Blanco-renner Jack Bobridge: „Als je de trap op loopt, denk je dat je een hartaanval krijgt” – en moeten trainen onder zware omstandigheden. Maar het ergste van alles is dat er boven op zo’n berg geen klap te beleven is. Op de Teide, een vulkaan op Tenerife, staat een hotel en een restaurant, en daar houdt het wel mee op. Wie wil internetten, moet de receptioniste heel lief aankijken. Bernhard Eisel, rijdend voor Sky – het team dat hoogtestages inmiddels heeft verheven tot kunst – barstte dit voorjaar na twee weken op de Teide in huilen uit, omdat hij het ritme van hard trainen en nog harder vervelen niet meer aankon.

Robert Gesink, die voor de Giro drie weken bovenop de Teide verbleef: „Tja, veel spektakel is er niet. Je traint, je eet en je slaapt. Ik neem meestal een paar filmpjes en series mee en ik praat een beetje met mijn ploeggenoten. Wij hadden op de laatste hoogtestage een leuke groep met een goede sfeer, maar evengoed was ik er na drie weken wel klaar mee.”

Een verblijf op de Teide is iets voor monniken, maar het kan nog ascetischer. In Font-Romeu bijvoorbeeld, een oord midden in de Franse Pyreneeën. Tom Stamsnijder: „Ik zou het geen hotel noemen wat daar staat. Eerder een Oostblokbunker. De kamertjes zijn zo groot dat je de allebei de muren raakt als je je armen strekt. Het toilet moet je delen met twintig anderen. En je eet in een schoolkantine waar je je bordje kunt volscheppen met ondefinieerbare pap. Ik voel me een kluizenaar als ik daar zit. Maar ik ben er altijd met anderen naartoe gegaan, nooit alleen. Dat is niet te doen. Alleen trainen gaat nog, maar wekenlang alleen ontbijten en eten is verschrikkelijk. Ze zijn er wel hoor, die gasten die dat doen. Maar die zijn volgens mij niet helemaal honderd.”

Er bestaan alternatieven voor die tijdrovende en geestdodende hoogtestages. Als de renners niet naar de berg komen, dan komt de berg wel naar de renners. Nou ja, de ijle lucht dan. Veel wielrenners hebben inmiddels een hoogtetent aangeschaft waarmee ze ook thuis ijle lucht kunnen inademen; de tent is aangesloten op een machine die zuurstof uit de lucht haalt, waardoor ze kunnen simuleren dat ze boven de tweeduizend meter verblijven. Delahaije: „Hoogtetenten zijn alleen lang niet zo effectief als verblijf op echte hoogte. En het is een hele opgave om zo’n tent op de goede manier te gebruiken. Wetenschappelijk gezien heeft een hoogtetent pas zin als je er minstens veertien uur per dag in zit, drie weken lang, op minstens 2.200 meter. Dat halen de meeste renners niet.”

Blanco-sprinter Theo Bos: „Veertien uur is bijna niet te doen. Ik slaap deze weken wel elke nacht in mijn tent, als voorbereiding op de Ronde van Noorwegen. Het zal wetenschappelijk misschien niet onderbouwd zijn, maar voor mijn gevoel heb ik er ook wat aan als ik er maar tien uur per dag in zit. Ik heb het weleens nagekeken: de meeste wedstrijden heb ik gewonnen na periodes waarin ik in die tent zat.”

Robert Gesink: „In mijn appartement in Spanje heb ik een tent, thuis in Nederland heb ik de slaapkamer laten verbouwen. De kiertjes zijn gedicht en er staan machines in waarmee je iedere gewenste hoogte kunt instellen. Zoiets kost ongeveer vijftigduizend euro, maar ik denk dat het de investering waard is. Zo’n kamer is veel comfortabeler dan een tent; ik zit er dertien uur per dag in. De hele dag in zo’n kamertje of een tentje zitten is niet te combineren met een sociaal leven trouwens. Je kunt niet even uit eten gaan of een paar boodschappen doen: ieder moment dat je niet op hoogte bent, is verloren.”

Ook de vrouwen en vriendinnen van de renners slapen regelmatig op 2.500 meter hoogte. Tom Stamsnijder: „De eerste keer dat mijn vriendin bij me kwam slapen, stond er een tent over het bed. Ik moest wel even iets uitleggen, ja. Na eerste nacht zei ze: dit nooit meer. Ze kon niet in slaap komen. Nu nog steeds niet, trouwens. Het is niks voor lichte slapers, zeker niet omdat de generator zoemt en de luchtpijpen pompen. Ze is moe op haar werk. Maar gelukkig is ze overtuigd geraakt van de voordelen. Ze doet het wel, maar het heeft niet haar voorkeur.”

Gesink: „Daisy is niet bepaald blij als ze weer op 2.500 meter moet liggen. Ze droomt raar door de hoogte, is kapot als ze wakker wordt. Maar goed, weken van huis voor een hoogtestage is ook niet ideaal. Die zoektocht naar ijle lucht is wel echt een relatietest, hoor.”

Wekenlange opsluitingen in Oostblokbunkers, slapen in muffe tentjes en tienduizenden euro’s uitgeven aan hoogtekamers – het grenst aan waanzin. Theo Bos: „Natuurlijk, we zijn allemaal gek. Maar topsport is per definitie krankzinnig; je zoekt altijd naar manieren om een klein beetje te winnen. Iedere tiende van een procent is meegenomen.”

Misschien is het wel andersom: je zou wel gek zijn als je niet meedoet aan de hoogtestagehype. Deze Giro gaat zo goed als zeker worden gewonnen door een renner die tijd, geld en energie heeft gestoken in hoogtestages, -tentjes en -kamers.

Investeren in lucht loont.