Cadeautip: plaswekker

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: moederdag.

„Moederdag?” Mijn jongste dochter ligt lui op de bank. „Daar doen wij toch niet aan? Dat is een uitvinding van Hitler.”

„Moederdag?” Mijn oudste komt binnenwaaien. „Ik ga al twee dagen met je mee naar Zeeland. Dan hoef ik toch niet ook nog op zondag thuis te zijn?” En weg is ze weer.

Ik denk aan het krantenartikel dat in de oudpapierbak ligt: een interview met Martin van Rijn, staatssecretaris van Volksgezondheid. Hij verkondigt een nieuwe wereld waar het elke dag moederdag is. Waar kinderen hun moeder elke dag ontbijt op bed brengen, boodschappen voor haar doen en cadeautjes meebrengen (tip: een plaswekker of looprek). Het lijkt me een goed moment om mijn dochter voor te bereiden op een toekomst waarin zij – volgens de zorgplannen van Van Rijn – mijn traplift moet betalen.

„Hoezo?”, zegt ze en zet de televisie aan. „Dat krijg je toch terug van de verzekering?” Ik leg haar uit dat er niet genoeg geld meer is voor alle zieken van Nederland. „Dus daarom komt er straks een zorgambtenaar met jou een keukentafelgesprek voeren. Dan moet je laten zien hoeveel je verdient als binnenhuisarchitect. En als in je huis een kamertje over is, dan zegt hij misschien wel: ‘uw moeder kan ook hier intrekken’.”

Ik heb net de film Boven is het stil gezien. Een boerenzoon woont samen met zijn doodzieke, verlamde vader. Op een dag doet hij hem naar boven. Wat nog een heel gedoe is, ook voor zo’n sterke boerenzoon. „Dat zie ik jou nog niet doen hoor”, zeg ik tegen mijn dochter. „Dan mag je blij zijn dat je die traplift voor me hebt gekocht.”

Ze zet de tv harder. Het is voor haar, als kind van gescheiden ouders, natuurlijk ook een extra harde boodschap. Als vader en moeder samen oud worden, kan de lamme nog een tijdje de blinde helpen. Maar met gescheiden ouders is de kans dubbel zo groot dat je de klos bent.

„Je kunt toch ook naar een verpleegtehuis?”, zegt mijn dochter en stopt meteen haar vingers weer terug in haar oren. „Nee liefje, zo makkelijk gaat dat niet. Als je moeder een paar keer verward door de politie is thuisgebracht, is dat nog geen reden om haar meteen weg te stoppen. Wat als alle kinderen dat zouden doen? Het is zaak dat ik zo lang mogelijk thuis blijf wonen, of bij jou natuurlijk, dat is het goedkoopst.”

Ik zie de paniek in haar ogen. „Misschien loop ik ook wel te hard van stapel”, zeg ik. „Misschien word ik wel net zo oud als mijn moeder. Dan is het over vijftien jaar allemaal netjes afgerond.” Al zitten in mijn familie ook een hoop taaie types. Neem de vader van mijn moeder. Een ijdele man; achterovergekamd haar, dol op Italiaanse schoenen. Zoals hij in zijn onderhemd een appeltje schilde en de stukjes vanaf het mes at, kon hij zo in een maffiafilm. „Als ik mezelf niet meer kan doen, geef me dan maar een spuitje”, zei hij altijd. Maar toen was het zover. Hij had suikerziekte, zijn benen stierven af. Ze sneden hem op als een salami. Eerst zijn ene voet eraf, toen het stuk been tot onder de knie, daarna tot boven de knie – hetzelfde aan de andere kant. Maar opgeven, ho maar. „Uiteindelijk moest hij naar een verpleeghuis”, vertel ik mijn dochter. „Maar de kans is groot dat jij mij gewoon elke dag thuis moet komen verzorgen.”

Opeens stapt ze op van de bank: „Kunnen we ophouden met dit gesprek? Ik word hier heel chagrijnig van.” Ze gaat naar haar kamer. Ik geloof niet dat ze een asbakje voor me gaat kleien.