Brieven

Meeliften

Met de ‘profit-index’ relativeren Aziz en Rozing de waarde van de prestaties van wetenschappers uitgedrukt in de zogenaamde H-index (wetenschapsbijlage 27 &28 april). Eenieder die als onderzoeker werkzaam is in de (medische) wetenschappen kan wel een voorbeeld van meeliftgedrag noemen – een collega die een co-auteurschap opeist omdat hij of zij ooit één slimme vraag over het onderzoek heeft gesteld, een antilichaam heeft geleverd, of simpelweg afdelingshoofd is. Niettemin kleeft er juist voor het medisch wetenschappelijk onderzoek een belangrijk bezwaar aan de voorgestelde profit-index, namelijk de overwaardering van een eerste of laatste auteurschap. Het principe is dat deze auteursplekken gereserveerd zijn voor die mensen die het meeste aan het onderzoek hebben bijgedragen: de promovendus die het praktische onderzoekswerk heeft gedaan, en zijn/haar supervisor. Het huidige medische onderzoek heeft echter bijna altijd een sterk multidisciplinair karakter en dan kom je al gauw plaatsen tekort. Zo is voor onderzoek naar de effectiviteit van een nieuw geneesmiddel tegen kanker niet alleen substantiële input nodig van een internist-oncoloog, maar bijvoorbeeld ook van een patholoog, farmacoloog, bioinformaticus, nucleair geneeskundige en radioloog. Juist door dit multidisciplinaire onderzoek is de behandeling van patiënten met kanker de afgelopen jaren verbeterd. Al deze onderzoekers zouden aanspraak kunnen maken op de belangrijkste auteursplaatsen. Dat een topwetenschapper deze plaatsen gunt aan andere collega’s en zelf genoegen neemt met een plaats in het midden, moet in dit geval niet geduid worden als meeliftgedrag, maar veeleer als een houding die de multidisciplinaire samenwerking bevordert. De profit-index ontmaskert wel mogelijk meeliftgedrag, maar gaat voorbij aan de bijdrage van medeauteurs aan multidisciplinair onderzoek.

Dr. Hanneke van Laarhoven,

internist-oncoloog, Amsterdam

Dr. Miriam Koopman,

internist-oncoloog, Utrecht

Landbouwgif

De NRC besteedde onlangs (‘Waterleven lijdt onder landbouwgif'’, 2 mei) aandacht aan een recente wetenschappelijke publicatie over milieueffecten van het neonicotinoïde insecticide imidacloprid (van Dijk e.a., Plos One). Neonicotinoïden worden grootschalig toegepast in land- en tuinbouw en in de huishoudelijke omgeving, o.a. in anti-vlooienmiddelen voor huisdieren. Die publicatie lijkt op het eerste gezicht aanleiding te zijn om imidacloprid of zelfs de hele groep neonicotinoïden te verbieden. In het oppervlaktewater gemeten hoeveelheden imidacloprid worden in verband gebracht met waargenomen soorten ongewervelde dieren. Die gegevens zijn echter door verschillende instanties op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen onafhankelijk van elkaar verzameld. Combinaties van metingen, die binnen een straal van 1 km en binnen een tijdspanne van 160 dagen van elkaar zijn verricht, suggereren een negatieve correlatie tussen de hoeveelheid imidacloprid en het aantal waargenomen soorten. Bij de gevolgde methode kunnen grote vraagtekens worden geplaatst. Immers, de hoeveelheid imidacloprid zal aanzienlijk afnemen tussen het moment van meting en het tellen van de soorten – een periode die wel 5 maanden kan bedragen. Wat in de tussenliggende periode nog meer is veranderd kan niet worden achterhaald. Bovendien valt niet te voorspellen of en hoe imidacloprid zich vanaf een willekeurige plek over een afstand van 1 km in het oppervlaktewater verspreidt.

Door bovenvermelde onzekerheden wordt de betrouwbaarheid van de resultaten ernstig aangetast. Bovendien is de gekozen onderzoeksopzet ongeschikt om een oorzakelijk verband aan te tonen, terwijl de berichtgeving in de media wel zo’n verband suggereert. Wij concluderen dan ook dat het onderzoek geen argument vormt om de milieunorm voor imidacloprid aan te passen.

Dr. Henk Vijverberg en Prof. Dr. Bas Blaauboer,

toxicologen Instituut voor Risk Assessment Sciences, Universiteit Utrecht