Brieven

Mijn vader weigerde ook Joden op te halen

Over het artikel 4 mei: Wat had je zelf toen gedaan van Herman Vuijsje (NRC Handelsblad, 1 mei) het volgende: Vuijsje spreekt over „eenlingen” die zich durfden te verzetten. Als voorbeeld geeft hij de Amsterdamse politie-inspecteur Jan van den Oever, die als enige weigerde mee te werken aan het ophalen van Joden. Mijn vader, destijds hoofdagent van politie te Den Haag, heeft ook geweigerd om Joodse mensen op te halen, waardoor hij in een werkkamp in Duitsland terecht kwam. Ik weet uit zijn verhalen dat er meer collega’s waren die ook geweigerd hebben. Naar mijn mening dienen deze mensen voor hun verzet zeker herinnerd te worden.

A.P. Flick-Ringeling

Leiderdorp

Arme en rijkere wijken liggen over heel Curaçao

Met Margriet Marbus (NRC Handelsblad, 8 mei) deel ik de plaatsvervangende schaamte wanneer ik ‘Hollanders’ met vermeende kennis van zaken hun vooroordelen hoor uiten over bewoners van Curaçao of omstandigheden op het eiland. Dat dit de verstandhouding tussen Nederland en Curaçao aantast, weet Marbus in het interview met Wiels goed over te brengen.

Het verschil tussen enerzijds „Op Bandariba wonen de hogere klassen en welvarender mensen” en anderzijds „eenvoudige Curaçaoënaars wonen op Bandabou” is echter niet meer van deze tijd. De woorden ariba en abou voor hoog en laag hebben betrekking op de passaatwind. Die waait op Curaçao uit het noordoosten. De zeilschepen uit de koloniale tijd meerden aan de bovenwindse (ariba) zijde (banda) van de natuurlijke haven aan. Daarom vestigden zich de Europeanen aan de hoge zijde van de haveningang. Daarom werd ook Fort Amsterdam, tegenwoordig regeringsgebouw en woning van de gouverneur, aan de hoge zijde gebouwd. Slaven moesten zich aan de benedenwindse zijde (banda abou) van de haveningang vestigen. De haven deelt het eiland ongeveer in tweeën. Het noordooslelijke deel van Curaçao, hoog aan de wind liggend, werd zo Bandariba en het zuidoostelijke, laag aan de wind liggend, werd Bandabou.

Tegenwoordig is de oorspronkelijke tweedeling in vestigingsplaats zeker nog herkenbaar, maar deling naar arme en rijkere wijken heeft zich over het hele eiland verspreid.

Ruud van Donk

Goedereede