‘Ik een vriend van Armstrong? Zo’n kul’

Doping in het peloton bleef lang geheim. Toch vindt wielerjournalist Mart Smeets niet dat hij heeft gefaald. „Het putdeksel bleef dicht.”

Mart Smeets: „Als iemand zegt: wil je dat alsjeblieft niet opschrijven? Dan zeg ik: oké.” Foto Robin Utrecht

Voor het interview, als Mart Smeets richting stationsrestauratie loopt, spreekt iedereen hem aan. Mensen die met hem op de foto willen. Smeets maakt een praatje, een arm om iemand heen. Hij is het gewend. „De gebruikelijke kermis.”

Deze week verscheen Gepakt, Smeets’ boek over waarom journalisten niet de vinger achter de dopingschandalen konden krijgen. De waarheid was altijd anders dan de werkelijkheid, beschrijft Smeets, die zegt ‘in een cocon van illusies’ te hebben geleefd. Smeets schreef een boek over Lance Armstrong, The Lance-factor, dat hij vorig jaar na alle dopingperikelen terugtrok uit de NS Publieksprijs. Hij interviewde Armstrong meerdere keren.

Hij had het beter kunnen doen, maar heeft niet gefaald, vindt hij. „Het is een oorlog die je niet kunt winnen”, zegt Smeets. „Je hebt te maken met mensen die dingen doen, die wij niet weten. Er was een federale commissie nodig om dat te onthullen. Je kon ernaar vragen, maar het putdeksel bleef dicht.”

De publieke opinie heeft zich nu tegen hem gekeerd: Smeets zou de renners een hand boven het hoofd houden. Hij ontvangt doodsbedreigingen. ‘Als ik je tegenkom met dat klote gele bandje van Armstrong om je pols, dan snijd ik je je keel af’.

Waarom bent u de zondebok?

„Geen idee. Omdat het lekker is. Hoge bomen vangen veel wind. En dan ben ik ook nog een hoge boom die al veertig jaar op jouw thuisbuis is geweest. Je zag het hier met die mensen, buiten. Ik bén van die mensen. Er is ook een andere kant van de medaille, die moet je accepteren.”

Een renner, die u interviewde voor uw boek Het laatste geel, vertelde u dat hij epo gebruikte. U schrapte dat op zijn verzoek.

„Als er iemand zegt dat hij zijn baan verliest en zegt: wil je dat alsjeblieft niet opschrijven? Dan zeg ik: oké. Ik heb dat één keer eerder gedaan bij een renner, in de jaren tachtig.”

U zegt: we konden de waarheid niet achterhalen. Nu had u het, en schreef u het niet op.

„Ik vind dat je iemands familie, baan en huis niet in de waagschaal mag stellen voor ‘ja, ik heb epo gebruikt’.”

‘In Hilversum moet je altijd in het tegenlicht staan’, adviseerde uw leermeester Frans Nypels u. Heeft u dat genoeg gedaan?

„Nee. Daar heb ik ook niet de kans voor gekregen. We hebben daar een te nette rubriek voor. Nypels bedoelde dat ik rafeliger moest zijn in mijn optredens. Tegendraads. Dat ben ik, zeker in de laatste jaren van mijn loopbaan, niet meer geweest.”

Is de NOS te voorzichtig geweest als het gaat om dopingverhalen?

„Er moet een kroongetuige zijn. Als we die konden opvoeren, sprekend en in beeld, dan konden we iets openbaren. Ik hoorde dingen, in het circuit, waar we geen kroongetuigen voor konden vinden. Wat wil men dan? Dat ik zeg: die, die en die heeft gebruikt? Dat weet je nooit van je leven.”

U wordt nu neergezet als vriend van Lance Armstrong.

„Zo’n kul.”

Was het verstandig om zijn gele Livestrong-bandje te dragen?

„Daar heb ik geen spijt van. Armstrongs inzet voor kanker had niks te maken met zijn fietsen. Ik heb het bandje pas afgedaan, in de douche, toen ik doodsbedreigingen kreeg.”

U droeg een bandje van degene die u kritisch hoort te volgen.

„Ik doe allerlei dingen voor kanker, voor KiKa. In 2003 was het bon ton om als je iets met wielrennen en met kanker had, je zo’n bandje droeg. Ook journalisten, heel veel.”

Bewonderde u Armstrong?

„Nee. Hij kon goed fietsen, maar ik vond het geen aardige man. Ik heb nog nooit met bewondering gekeken naar iemand.”

De eerste zin van het hoofdstuk in Gepakt over Armstrongs voormalig ploeggenoot Tyler Hamilton luidt: ‘er is een tijd geweest dat ik met enorm veel bewondering naar Tyler Hamilton keek’.

„Het zal er wel staan, maar ik heb niet een reportage gemaakt over hoe erg ik hem bewonderde. Ben je bedonderd? Waarom zou je iemand bewonderen?”

Omdat u als voormalig basketballer de grootsheid van een sportprestatie beter in kan schatten dan een ander.

„Sportjournalisten zijn net zoals mensen die bij de afdeling kunst zitten. Mensen die veertien woorden achter elkaar kunnen schrijven.”

U kiest voor een romantische insteek in De Avondetappe, komend seizoen weer op tv. Kan dat nog?

„Nee, de gasten zijn komend jaar van andere snit. Verder ontvang ik iedereen, ook Michael Boogerd. Michael hoe is het met je? Hoe heb je de afgelopen maanden doorgebracht?, zal ik vragen. Ook al vind ik het een zak, omdat hij zo lang heeft gewacht met bekennen.”

Er gaan geruchten in het peloton over een nieuw dopingmiddel. Waarom zondert u zich niet af om dit te gaan onderzoeken?

„Ik zou het niet willen, dan begeef ik me op een gebied waar ik veel te weinig van weet. Ik ken helemaal niemand. Waar moet ik beginnen?”

    • Stijn Bronzwaer