Wederopstanding van een Joods familie-epos

De Wertheims maken alles mee waar Joden in de 20ste eeuw mee te maken kregen. Een roman over hun emancipatiegeschiedenis in 20ste-eeuws Europa.

Children of Henri de Rotschild : baroness Nadine de Rothschild (1898-1958), baron Philippe de Rothschild (1902-1988) and baron James Henri de Rothschild (1896-1984) 1913 Rue des Archives/Hollandse Hoo>

Katia Pringsheim, de vrouw van Thomas Mann, kwam uit een van de rijkste families van Duitsland. Een van de rijkste Joodse families van Duitsland, welteverstaan. Maar wanneer haar naar die afkomst werd gevraagd, zei ze steevast dat het Jodendom voor haar en haar broers iets uit een ver verleden was, waar ze niets mee ophadden. Joden? In hun familie? Dat kon niet waar zijn, reageerden de Pringsheims toen ze in hun jeugd voor het eerst met dat feit werden geconfronteerd.

De familie Pringsheim stond model voor veel Duitse Joden uit de gegoede middenklasse voorafgaand aan Hitlers machtsovername in 1933. Een aanzienlijk deel van hen was in de negentiende eeuw protestants gedoopt, om zo aan het sociale antisemitisme van die tijd te ontsnappen en carrière in de wetenschap of bij de overheid te kunnen maken.

Anderen, zoals de romanist Viktor Klemperer, in de jaren tachtig postuum beroemd geworden dankzij zijn toen pas gepubliceerde dagboeken uit de nazitijd, waren lid van een liberale congregatie die de sabbat op zondag vierde en veel weg had van een remonstrants kerkgenootschap.

Joden als de Pringsheims en de Klemperers stonden als geen ander open voor de moderniseringsprocessen die zich in het dynamische negentiende-eeuwse Duitsland voltrokken. Ze zagen de dichter Heinrich Heine als hun grote voorbeeld en tuigden in december een kerstboom in hun salons op.

De Amerikaanse schrijfster Silvia Tennenbaum (Frankfurt, 1928) komt uit zo’n Duits-Joodse familie en heeft er een roman over geschreven, die in de Nederlandse vertaling De Wertheims. Twee oorlogen, één geschiedenis heet. Het boek – dat al in 1981 in het Engels verscheen als Yesterday’s Streets, maar toen niet opviel – beleeft nu een wederopstanding en is in Duitsland en Amerika inmiddels een bestseller.

En inderdaad, de kerstboom is bij de Wertheims in hoofdstuk 2 al opgetuigd. Het relaas dat Tennenbaum vertelt is dan tien jaar op dreef. Het is 1913. De wereldoorlog die aan alle bestaande verhoudingen voorgoed een einde zal maken loeit in de verte aan. De leden van de familie Wertheim zijn inmiddels voorgesteld aan de lezer.

Stamvader is Moritz Wertheim (1836-1912), een gefortuneerde groothandelaar in stoffen, die in 1836 in het Joodse getto van Frankfurt is geboren en in 1912 sterft als een lokale magnaat in een grote villa in de modieuze wijk Westend, waar de meeste welgestelde Joodse families van die bankenstad wonen, inclusief de Rothschilds. Moritz en zijn vrouw Hannchen hebben als enigen tastbare herinneringen aan de traditionele Joodse wereld van weleer. Hun vijf zonen, de tycoon Edu, de intellectueel Jakob, de avonturier Gottfried, de flegmaticus Siegmund en de melancholieke advocaat Nathan zijn al voorgoed van die achtergrond vervreemd.

De jongste, Edu, die zich na de dood van zijn vader als diens opvolger in het familiebedrijf manifesteert en zich als bazige pater familias met het wel en wee van zijn verwanten bemoeit, heeft een tijdje in Amerika bij een Joods bankiershuis gewerkt. Aan dat verblijf dankt hij een afkeer van alles wat naar vroomheid riekt. ‘Stel je voor, de mannen moesten een keppeltje op! En dat in deze tijd!’ zegt hij tegen zijn moeder over een vrijdags diner bij zijn baas in New York.

Ook walgt Edu van de arme Oost-Europese Joodse immigranten die Amerika binnenstromen. ‘Wacht maar af wat een antisemitisme dat zal geven in die veelgeprezen democratie van ze.’ Zijn gelijk blijkt aan het eind van Tennenbaums vuistdikke roman, als zijn kort voor 1939 naar Amerika geëmigreerde nicht Lene het met haar dochter heeft over een ‘Jodenvrije Club’ in hun woonplaats op Long Island.

De Wertheims is bij uitstek een roman over de emancipatiegeschiedenis van de Europese Joden, die begint met hun gelijkstelling voor de wet door Napoleon en eindigt met hun vernietiging door de nazi’s. Alle variaties van die Werdegang komen in dit boek voor, van het kamp, het getto, de onderduik, emigratie naar Palestina, Zwitserland of Amerika tot zelfmoord tijdens de Kristallnacht aan toe. Zelfs de Februaristaking in Amsterdam wordt niet overgeslagen.

Edu is de spil van het verhaal en tevens het meest uitgewerkte personage. Hij vlucht op tijd naar Zwitserland, waar hij zich inspant voor het redden van zijn familieleden. Zijn nichten Lena en Emma, die beiden korte tijd met een Duitse aristocraat zijn getrouwd, overleven eveneens in Zwitserse ballingschap. Hun broer Ernst emigreert op tijd naar Palestina. Diens homoseksuele broer Andreas sterft van uitputting in het getto van Lodz.

De Wertheims is opgebouwd volgens het stramien van Thomas Manns Buddenbrooks, met een stamvader die fortuin maakt, een ambitieuze zoon die de zaak overneemt en een paar andere kinderen wie het minder goed vergaat, onder wie het traditionele zwarte schaap van de familie. Bij de kleinkinderen openbaren zich Wagneriaanse ondergangsmotieven.

Maar bij Mann is er altijd die heerlijke ironie, dat heldere taalgebruik en dat rijke, aan Tolstoj en Theodor Fontane ontleende psychologisch inzicht, dat je niet zelden tot tranen toe beroert. Het zijn kwaliteiten die je bij Tennenbaum zelden tegenkomt.

Wel is De Wertheims voorbeeldig verteld, keurig lineair opgebouwd en zeer informatief voor iemand die niets van die periode afweet. Zo wijkt Tennenbaum regelmatig af van het literaire pad om een geschiedenislesje te geven. Dat doet ze bijvoorbeeld wanneer ze het heeft over het antisemitisme dat Edu ervaart als officier aan het front in Galicië tijdens de Eerste Wereldoorlog. En precies daardoor wekt ze soms de indruk dat ze een cursus ‘Joden in Duitsland’ voor Amerikanen heeft willen maken.

Ook belicht Tennenbaum de opkomst van de moderne kunst in de jaren na 1918. Zo laat ze Edu in Berlijn schilderijen van George Grosz, Emil Nolde, Franz Marc en Kirchner op de kop tikken. Vervolgens voert ze een Joods hoertje op om Edu neer te zetten als iemand die het esthetische van een schilderij prefereert boven een intieme relatie met een vrouw.

Voor haar familie-epos lijkt Tennenbaum de halve Duitstalige literatuur uit het interbellum te hebben bestudeerd. En eigenlijk is dat de grote zwakte van haar roman. Regelmatig moest ik bij het lezen van De Wertheims denken aan Lion Feuchtwangers familieroman Die Geschwister Oppermann (1933), waarin het opkomend Duitse antisemitisme van na de Eerste Wereldoorlog wordt beschreven, maar dan veel subtieler en sluipender.

De homo-erotische liefdesscène tussen de schrijver Hanno Altenburg en de jongeling Andreas Wertheim doet zelfs sterk denken aan Thomas Manns Der Tod in Venedig, met Altenburg in de rol van professor Aschenbach en Andreas als Tadzio.

Ook worden tal van beroemde tijdgenoten opgevoerd. Zo is een belangrijke rol weggelegd voor ene Paul Leopold, die sprekend lijkt op de naar het ondergegane Habsburgse keizerrijk terugverlangende schrijver Joseph Roth.

Als Tennenbaum Edu een tirade laat houden tegen Pruisische officieren – ‘Ze zijn wreed, kil en ongevoelig. Ze zijn antisemitisch en hebben al generaties lang oorlog gevoerd...’ – denk je aan Fritz Sterns Gold and Iron, die overweldigende studie van Gerson Bleichröder, de Joodse bankier van Bismarck, waar een veel genuanceerder en grilliger beeld van die Joodse emancipatie uit oprijst.

En dan zijn er nog de seksscènes. Die zijn veel te ‘modern’ voor het milieu en de tijd waarin ze zich afspelen. In kringen van de avant-garde ging het er weliswaar wild aan toe, maar als een Pruisische officier zijn platte kunstjes – ‘ik ben fantastisch in bed’ – op zijn kersverse vrouw Emma Wertheim uitprobeert, haalt Tennenbaum het niveau van een Amerikaanse B-film niet eens.

Toch is het geen straf om De Wertheims te lezen. De geschiedenis die wordt verteld is interessant genoeg. De beschrijvingen van Frankfurt, vóór de oorlog een van de mooiste steden van Duitsland, zijn prachtig, wat samen met het nationale schuldgevoel ongetwijfeld het succes van de Duitse vertaling heeft bepaald.

Maar door de vele historische clichés, de voorspelbare gebeurtenissen, de vele onuitgewerkte personages en de brave stijl ontbeert het boek een dwingende literaire kracht. Je krijgt er alleen maar nog meer bewondering door voor het werk van Fritz Stern, Joseph Roth en Lion Feuchtwanger.