Wannsee en waanzin en twee Fassbinderdiva's

De homo’s kregen excuses van Niall Ferguson. Nu de dansers en de dichters nog. Want op dat congres voor financieel-economische hoogvliegers laakte Ferguson de econoom Keynes niet alleen als homoseksueel, hij vond hem ook een steriele denker omdat hij met een ballerina was getrouwd. En met haar praatte hij vast liever over poëzie dan zich voort te planten.

Kunstenaars zijn te zweverig om kinderen te maken – het is zo maf dat ik in de lach schiet. Kunst is altijd in de weer met het leven. Kunst ontrafelt wat mensen drijft. Juist economen kunnen daar hun voordeel mee doen – wat Keynes besefte, maar Niall Ferguson dus niet.

In het Stedelijk Museum in Amsterdam zie ik dat meteen in de eerste video op de expositie van Aernout Mik. Over twee schermen rollen beelden van een instortend huis. Puin dondert omlaag, stof wolkt op. Er lopen mensen rond. Omzichtig, ze weten wat er gebeurt. Maar schrikken doen ze niet. Dit geweld geldt niet voor hen, het gaat hun niet aan.

Hun onverstoorbaarheid verontrust me eens te meer omdat ik nog onder de indruk ben van de voorstelling die ik de vorige avond zag.

4 mei. In Den Haag speelde het Nationale Toneel eenmalig, ter gelegenheid van Dodenherdenking, De Wannseeconferentie. De waanzinconferentie – het toeval overtrof zichzelf met die locatie aan de Wannsee.

Het stuk reconstrueert de vergadering van 20 januari 1942, waar hooggeplaatste nazi’s de vernietiging van de Joden administratief en logistiek organiseerden. De rij acteurs (15 mannen en 1 vrouw, de secretaresse) achter de lange tafel over de volle breedte van het podium van de Koninklijke Schouwburg is een echo van de figuren in Miks video. Ook deze mannen + 1 vrouw hoeven niet te schrikken. De vernietiging koppelden ze los van hun moraal, ze kunnen het er gewoon over hebben. En weer die omzichtigheid: hun weloverwogen taalgebruik verraadt dat ze weten wat ze doen. Woorden zijn wegmakers. Redeneren vervangt het nadenken, terminologie effent het pad voor de „noodzakelijke” maatregelen.

Het maakt die rij mannen noch die vrouw duivels maar dor – die anticlimax wilde de filosofe Hannah Arendt doorgronden toen ze, in reactie op het Eichmann-proces in 1961, haar theorie over de banaliteit van het kwaad formuleerde.

In de film Hannah Arendt zien we haar met dat inzicht worstelen. En meemaken hoe de grauwe bureaucraten van het universiteitsbestuur haar behendig zwartmaken en uitvlakken. De film reduceert Arendt niet tot denkorgel, hij zet haar nadrukkelijk neer als een vrouw met een uniek vermogen tot hartstocht. Voor het verstand, voor het denken. Voor vriendschap. Voor de huwelijkse sensualiteit op middelbare leeftijd, een taboe in de cinema, dus sowieso bijzonder en dan ook nog eens zeldzaam goed getroffen.

Arendt kreeg gestalte van Barbara Sukowa, de ene Rainer Werner Fassbinderdiva. De andere Fassbinderdiva trad op 5 mei op in Amsterdam: Hanna Schygulla. Ze verscheen in de jaarlijkse ‘Duits-Nederlandse Nacht’ van entertainer Sven Ratzke, die even goed zingt als zijn publiek provoceert. Hij is Duits in zijn panache, Nederlands in zijn pesterijen, maar weer Duits in zijn weelderige egards voor La Schygulla.

Daar staat ze, die van Die Ehe der Maria Braun en Lili Marleen. Klein, 69 en onweerstaanbaar. Met schorre stem zingzegt ze songs. Natuurlijk van Brecht en Weill, maar ook van Piaf, en een frêle versie van de hippiesong Born To Be Wild. Intussen vertelt ze over haar vader die Hitler aanhing en haar moeder die ineens afzag van de arische naam Dagmar voor haar baby, „daarom staat er Hanna onder het hakenkruisstempel op mijn geboortebewijs”. Tot slot zingt ze, in roerend duet met Ratzke, Lili Marleen. Niet als oorlogskitsch maar als liefdesklacht.

De volgende dag zit ze aan de koffie in filmmuseum Eye, in afwachting van een openbaar interview. Ik spreek haar even aan. Ze memoreert hoe Fassbinder omging met het zwijgen van de oudere generatie over de naziperiode. „Hij zei: Ich schiess nach allen Seiten”. U ook? „Ik niet. Daar word ik te somber van.”

Ik heb genoten van uw optreden, gisteravond, zeg ik. „Hm”, zegt ze, „ik voelde me de haar in jullie soep.”