Verloren in een hap deeg

De nieuwe Van Royen is een zedenschets over de huisvrouw anno 2013. De vraag is of de ironie alle lezers bereikt.

U heeft geen zin in de nieuwe Heleen van Royen? Want u ergerde zich aan haar aandachttrekkerige geblaat bij Pauw & Witteman, aan de toelichting-op-kleuterniveau van wat ‘conceptuele kunst’ is volgens de maakster van een serie (naakt)foto’s, waarmee ze haar Twittervolgers amuseert. U ergerde zich eraan dat ‘serieuze media’ haar in suggestieve pose op de voorpagina plaatsten. U vermoedt bovendien dat het wel weer niet erg literair zal zijn. Maar lees je De hartsvriendin zonder vooringenomen snobisme, dan valt er iets aardigs te ontdekken in haar literatuur light. Heleen van Royen doet in De hartsvriendin wat Brigitte Kaandorp doet in haar cabaretvoorstellingen en wat Sylvia Witteman doet in haar Volkskrant-columns. De roman is een zedenschets van het huisvrouwenbestaan anno 2013, waarin aardig wat te lachen valt, grimlachen dan, om de sneuheid der dingen. Het verhaal stroomt ervan over.

Dolfijnen

Ze is een sneu type, Van Royens hoofdpersoon Yvonne de Graaf. Huisvrouw, zwaarlijvig, met een ‘stressvolle’ baan als vrijwilligster bij de Vogelopvang, en ze krijgt verdorie ook al niet de goede cadeaus voor haar veertigste verjaardag (veertig met de V van ‘vaarwel jeugd, vergane glorie, vergeet het verder maar’). Bovenaan haar verlanglijstje stond haar grote droom: zwemmen met dolfijnen. Haar vriendin Mona – haar hartsvriendin – lijkt immers een nieuw mens, sinds ze op vakantie een onvergetelijke ervaring had met de ‘Engelen van de Zee’. Dat wil Yvonne ook, dus surft ze naar dolfijnreizen.nl en stuurt ze een in klefheden gedrenkt vriendschapsverzoek op Facebook naar een Amerikaanse zakenvrouw annex eigenares van de Dolphin Healing Hearts School. Tijdens haar zwemtocht ging zij inzien dat zij ‘als voertuig voor de energie en het bewustzijn van dolfijnen moest dienen’ en ze hield daar een lucratieve praktijk als dolfijnengoeroe aan over.

Maar het blijft bij dromen. Wat het cadeau voor Yvonnes veertigste verjaardag dan wel is? ‘Jesper heeft een stapel pakjes bij zich, allemaal even groot. Het lijken wel boeken’ – de ingehouden teleurstelling is voelbaar. Het blijken (ha, lekker!) de chocoladeletters N-I-C-K: een opleuking van een serie afspraken bij een dieetgoeroe die Nick heet. Van de kinderen mogen er namelijk wel wat kilootjes af. Sneu.

De treurigheid is zo ver doorgevoerd en zo overdreven dat het allemaal doorzichtig lijkt: Van Royen schreef een herkenbaar boek en lijkt niet veel meer te doen dan het bijeenzetten van al die clichés waarop vaderlandse lach-of-ikschiet-sitcoms zijn gestoeld. Dat gaat soms te ver: de poep-en-pieshumor wanneer Van Royen schrijft over de effecten van Nicks dieetpillen op Yvonnes stoelgang, heeft geen niveau. Maar in de meeste gevallen is het niet ongrappig – maar ook niet erg origineel.

Afgezien dan van de scène die werkelijke gekte in woorden weet te vangen, waarin Yvonne zich volledig verliest in een hap appeltaartdeeg. Dat is een wél origineel en wervelend hoofdstuk, waarin de dikke huisvrouw, naar het voorbeeld van de mindfulness, twintig minuten lang naar een hap deeg moet kijken voor ze hem opeet. ‘Mijn hap is een onbewoond eilandje van deeg met in het midden een steile, goudkleurige bergtop van appel,’ begint het, en de hap krijgt in haar verbeelding monsterlijke proporties, wordt een drijfzandachtige massa die haar dreigt te verzwelgen. Het is zo idioot dat het weer geestig wordt.

Maar het maakt ook de verbeeldingskracht van deze huisvrouw inzichtelijk: die is vreselijk pover. En zo openbaart zich de vileine ironie van Van Royen. Waar een verhaal binnen het komische genre nogal eens een sentimentele draak wil worden omdat de hoofdpersoon haar kracht tóch nog ontdekt en het leven zo weer zin geeft, doet Van Royen alleen maar alsóf er iets verandert.

‘Ik ben trots op mijn daadkracht,’ zegt Yvonne, wanneer ze een Facebook-vriendschapsverzoek heeft verzonden naar Hassan, een leeftijdsgenootje van haar zoon, die (ook al totaal overdreven) in een park tegen betaling mannen bevredigt. Ze wil hem redden. ‘Ik heb laatst een in prikkeldraad verstrikte houtsnip voor een wisse ondergang behoed, waarom zou me dat niet lukken bij een in een seksnetwerk verstrikte scholier?’ Nota bene: Yvonne denkt dat in alle ernst – en met haar als ik-verteller biedt De hartsvriendin geen tegengeluid. De ironie mag de lezer erbij denken.

Parodie

Zo zou je kunnen stellen dat Van Royen een inktzwart, ironisch wereldbeeld schetst. De Nederlandse huisvrouw anno 2013 ziet oprecht redding in die zogenaamde daadkracht, in diëten en dildo’s, maar De hartsvriendin toont er de vruchteloosheid van. Zo is het volledig te lezen als parodie op het hedendaagse maakbaarheidsideaal. Of alle Van Royen-lezers dat erin zullen lezen is de vraag. Misschien zullen er huisvrouwen zijn die zich identificeren met Yvonne en die geïnspireerd raken om het roer om te gooien. Succes, dames. Het zou een duivelse bevestiging van de ironie zijn.

Het voelt aanvankelijk als een onbevredigende misser, dat Van Royen met een cliffhanger eindigt – waarmee er feitelijk niets eindigt. Of is zelfs dat deel van het ironische spel? Ik durf het te vermoeden. Er viel namelijk niets af te ronden. En het is nauwelijks denkbaar dat in deel twee Yvonnes leven wél verandert.