Patriottisch polderen

Recent is een fikse stroom boeken verschenen over de roerige late 18de eeuw. Patriotten en Bataven eisten democratie en vrijheid, maar botsten met stadhouder Willem V en koning Willem I. En toch ging het roer om.

Een van de grappigste geschiedwerken uit ons taalgebied is ongetwijfeld Neerland’s onafhankelijkheid hersteld (1913) van de protestants-christelijke auteur J.R. Callenbach. Als je er op drukt komen er oranje druppels uit. Callenbach herinnert aan ‘den laten namiddag van de 30en November 1813’.

Napoleon heeft kort tevoren in de Volkerenslag bij Leipzig (1813) zijn ogenschijnlijk finale nederlaag geleden. Vanuit ons land zijn kopstukken naar Londen gereisd om de Prins van Oranje te verzoeken ‘vorst’ van Nederland te worden. De prins treuzelt wat voor de vorm, maar stemt natuurlijk in en verschijnt op de genoemde late namiddag in Den Haag. ‘Nooit heeft de hofstad machtiger ontroering aanschouwd. Men was schier dronken van aandoening.’ Hete biggeltranen, uitzinnige vreugde ook, zoals Callenbach beweert.

Er mag een onsje van af. Maar hij was er, Willem. Hij vaardigt een proclamatie uit: ‘Ons gemeene Vaderland is gered, de oude tyden zullen weldra herleeven’. Op 1 december wordt hij uitgeroepen tot soeverein vorst. Na Waterloo noemde Willem I zich koning, na Lodewijk Napoleon de tweede die ons land heeft gehad.

De Franse overheersing had onze schatkist geleegd, de economie was een drama. Wederopbouw-elan ontstond. Niet omzien nu, mouwen opstropen, en aan het werk. Willem I had bovendien persoonlijke redenen om slechts vooruit te willen kijken. Vader Willem was als stadhouder (‘Ik voel ik ben daertoe niet bekwaem. ’t Hooft loopt mij om’) een politieke sukkel gebleken. Een slapjanus, nog een slaplip ook, niet meteen een glanzende aanbeveling voor een zojuist aangetreden dynastie van Oranjekoningen en -koninginnen.

‘Ons gemeenschappelijke Vaderland is gered, de oude tyden zullen weldra herleeven.’ Wat waren die oude tijden eigenlijk, en over welk gemeenschappelijk vaderland ging het in vorst Willems proclamatie?

Het tijdvak 1774-1813 is krap anderhalve eeuw lang een grijze vlek – helemaal wit was het nu ook weer niet – op de kaart van onze geschiedenis geweest. Met name de jongste tien jaar verschijnt echter een vloed aan historiewerken op dit terrein. Over de Patriottenrevolutie (1787), de Bataafse Omwenteling (1795) en alle reuring en troebelen daarmee samenhangende, in oorzaak en gevolg.

Alleen al de sinds vorig jaar verschenen boeken maken het mogelijk een haarfijn beeld te verwerven van een van de roerigste perioden uit de vaderlandse geschiedenis. Een gecompliceerde tijd. De periode onder koning Willem I (1815-1840) is een stuk eenvoudiger te begrijpen.

Ons gemeenschappelijk vaderland bestond vóór 1795 feitelijk helemaal niet. De republiek ‘Nederland’ was een bundeling van door regenten en landadel bestuurde, min of meer zelfstandige gewesten, met Holland (lees: Amsterdam) als machtigste en rijkste.

Al vroeg in de 18de eeuw ontstonden juist in de buitengewesten (aanvankelijk interne) troebelen, verzet vanuit de middenstand tegen de ongebreidelde macht der regenten, die zich onder meer door belastingmaatregelen steeds verder verrijkten. Ongeregeldheden in Gelderse steden als Arnhem, Nijmegen en Zutphen (1702-1708). Lees over deze machtsstrijd trouwens ook Lucas Hüsgens roman Plooierijen van geschik (2007). Het pachtersoproer van de jaren veertig (achtergrond in Thomas Roosenbooms roman Gewassen vlees, 1995) heeft in wezen dezelfde oorzaak.

De Oranje-stadhouders manoeuvreren zoals ze dat al vóór 1672 deden: zogenaamd bescheiden, maar altijd uit op meer macht. Tegelijkertijd zijn ze vaak pion in onderlinge uiteenzettingen tussen volk, burgerij en regenten. Ze worden op het schild gehesen als dit zo uitkomt, bijvoorbeeld tijdens het pachtersoproer te Groningen in 1748. Als ze in de weg lopen moeten ze wegwezen.

Gaandeweg de 18de eeuw wordt de roep om democratischer bestuursvormen langzaam principiëler en sterker. Met name de vanaf 1781 opkomende patriottenbeweging is ideologischer van aard. Men eist vrijheid van meningsuiting, volksvertegenwoordiging, vrijheid van vergadering. Belangrijk aanjager is de Overijsselse edelman Joan Derk van der Capellen tot den Pol, die na zijn ontijdige dood in 1784 heldenstatus krijgt als Oranjeklanten zijn grafmonument de lucht in jagen.

Hoe het verder ging? Ik heb weinig zin een samenvatting van de roerige jaren tachtig, negentig en tien op te hoesten. Men hoeft niet lang te googelen om een helder overzicht te vinden. Laten we bij de recente boeken blijven. Een prachtig, bijzonder fraai uitgegeven overzichtswerk van de zo lang veronachtzaamde achttiende eeuw is Joost Rosendaals Uit de plooi. De achttiende eeuw in beweging. Deze bevlogen historicus geeft aan de hand van uiteenlopende kopstukken en onderwerpen een helder beeld.

Rosendaal schreef ook Tot Nut van Nederland. Polarisatie en revolutie in een grensgebied, 1783-1787. Hij legt het Land van Heusden en Altena en de Langstraat (het grensgebied van Holland en België) onder een vergrootglas en beschrijft op heldere wijze hoe de patriotten er na een tijd van oplopende spanning de macht grepen, een revolutie die tot aan het Franse hof op de voet werd gevolgd en elders in de Republiek werd nagevolgd.

De patriotten hadden intussen enige militaire kracht ontwikkeld, dankzij hun exercitie-genootschappen. In mei deden ze zelfs een aanval op stadhouderlijke troepen. Nu liep het arme stadhoudershoofd van Willem V helemaal om. Zijn Pruisische echtgenote Wilhelmina (zij had de broek aan) besloot in te grijpen. Ze wilde naar Den Haag om aldaar de zaak te sussen, maar werd bij het sindsdien beroemde Goejanverwellesluis door patriotten teruggestuurd. Moet je niet doen bij zo’n vrouw. Ze roept razend haar broer te hulp – de koning van Pruisen – die met een troepeninvasie de hele patriottenrevolutie van de kaart veegt.

In deze periode figureren twee mannen waarover ook alweer recent (reeds in deze krant geprezen) biografieën verschenen: de radicale pamflettist en schrijver Gerrit Paape (Boeken, 20.07.2012) en de gematigde Rutger Jan Schimmelpenninck (Boeken, 14.12.2012).

En dan is er nog M.A.M. Frankens leesbare biografie Willem Anne Schimmelpennick van der Oye. Een notabel Gelders regent op het breukvlak der tijden, 1750-1816. En de diplomatenbiografieën over de belangrijke Gerard Brantsen (Schijngestalten, door Bert Koene) en de minderman Frederik Gijsbert baron van Dedem (Onze man in Constantinopel door Henk Boom). Het houdt niet op.

Als de Pruisen eenmaal hun hielen hebben gelicht zit er voor de patriotten weinig anders op dan zich op Frankrijk te richten, waar in 1789 de aanvankelijk democratische revolutie uitbreekt. Dan gebeurt er iets merkwaardigs. Begonnen als beweging om regionale zelfstandigheid te bewaren tegenover de centralistische politiek van Willem V, worden steeds meer centraalnationale krachten werkzaam, uitmondend in de Bataafse Revolutie van 1795.

Daarover verscheen Mart Rutjes’ Door gelijkheid gegrepen. Democratie, burgerschap en staat in Nederland 1795-1801, alsmede Joris Oddens’ Pioniers in schaduwbeeld. Het eerste parlement van Nederland 1796-1798. Belangrijk voer voor de studieuze lezer. Voor een breder publiek is dan weer het enigszins rommelige, maar uiterst informatieve 1813 - Haagse bluf De korte chaos van de vrijwording van Wilfried Uitterhoeve.

Een tsunami aan historische studies over de patriottentijd en wat daar op volgt: hoe is het mogelijk?

Kijk naar de rol van met name Uitgeverij Vantilt, die een groot aantal titels voor zijn rekening nam. Natuurlijk zijn al die 18de-eeuw-boekuitgaven duchtig financieel dichtgespijkerd met subsidiegelden, afkomstig van veel historische fondsen (Gravin van Bylandstichting, Stichting Daendels, et cetera). Maar ook opvallend vaak wordt de overheidsinstantie Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek als steunfonds genoemd. Kennelijk wordt in die kringen onderzoek op dit gebied van groot belang geacht. Zijn de patriotten dus actueel?

Sleutel in deze kwestie biedt een werk waarvoor ik hier alleen diep kan buigen: Nederland en het poldermodel. Sociaal-economische geschiedenis van Nederland, 1000-2000 van Maarten Prak en Jan Luiten van Zanden. Historiografie van de bovenste plank, en dan nog meeslepend opgeschreven ook. Duizend jaar polderen. Overleg tussen burger- of vakverenigingen (waterschappen, gilden, alle mogelijke algemene, praktische of idealistische, al dan niet one-issue pressiegroepen) als basis van de overleg-economische samenleving. De patriotten en Bataven drukten en duwden het land al dan niet onwillekeurig, rationeel of idealistisch, in de richting van een eenheidsstaat. Maar met behoud van het in ware zin democratische polderoverleg.

Natuurlijk maakte autocraat Napoleon daar een eind aan. En koning Willem I? Hij ijverde voor betere infrastructuur (kanalen, wegen), ook zijn industriële hobby en de economische projecten die hij entameerde zijn sindsdien enorm opgehemeld.

Helaas was Willem I net zo koppig en voortvarend als zijn stadhouderlijke vader Willem V slap. Alle progressie, als het gaat om economie of buitenlandse politiek, is te niet gedaan door zijn blinde volharden in de Belgische kwestie: 1830 – de Belgen wilden uit het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden en zelfstandig worden.

Toen Koning Willem in 1839 eindelijk toegaf (er stond een nieuwe Europese oorlog voor de deur) was zijn koninkrijk bijna failliet. Toen hij in 1840 de scepter overdroeg aan zijn zoon Willem II – niet veel meer dan een ook seksueel losgeslagen losbol – liet hij Nederland achter als via een wijdvertakte inlichtingendienst onder de duim gehouden, autistisch bestuurde natie. ‘De oude tyden zullen weldra herleeven’, zei de eerste Oranje-koning van Nederland.

Prak en Van Zanden laten zien dat het traditionele Nederlandse polderen onder zijn bewind juist langdurig werd gesmoord. Na zijn aftreden zou het bijna twintig jaar duren voor het weer wankel op de beentjes stond. Als Willem I omkeek zag hij zijn vader, begrijpelijk voor een zoon. Hij had er beter naast kunnen kijken, en had ook iets meer langs zichzelf heen moeten zien. Te veel het idee dat als hij op de Nederlandse geschiedenis drukte, er vanzelf oranje druppels zouden verschijnen.

Heb ik nu een verklaring gegeven voor de huidige populariteit van de patriotten?

Misschien niet. Ik doe alsnog een poging. Het gebied dat wij Nederland noemen, onze moderne eenheidsstaat, verkeert nu in een vergelijkbare positie als de Nederlandse gewesten in de oude patriottentijd. Het eenwordende Europa met alle onzekerheid van dien. We moeten macht inleveren, maar hoeveel? Blijft er nog wel iets van ons over? En valt er straks nog iets te polderen? Vraagstukken. We kunnen er naar kijken via de patriottenspiegel, opgehouden in een vloed aan recente boeken.