Oude wonden openrijten met topkunst

Duitse kunsthistorici hebben zich gedistantieerd van de expo De l’Allemagne, 1800-1939 in het Louvre. Alsof Duitse kunst losstaat van de rest van Europa. Het museum ontkent: gewoon topdoeken die niet eerder in Frankrijk te zien waren.

August Sander, ‘De vrouw die een intellectueel beroep uitoefent’, 1931

Eerst wordt de Duitse bondskanselier Angela Merkel door half Europa met een Hitlersnor afgebeeld. En nu dit weer. Twee harige, blote mannen vechten om een roodharige vrouw die, met pront geheven borsten, terzijde afwacht wie er als winnaar uit de paringsstrijd zal komen. Kampf ums Weib heet het doek van Franz von Stuck uit 1905. Wat zouden de Franse bezoekers van het Louvre, waar het nu hangt, denken bij dit woeste tafereel? Wat een onbeschaafd land is dat Duitsland? Dan veroveren wij Fransen toch heel wat beschaafder, met woorden liefst, onze vrouwen? In Duitsland is het niet pluis? Hitler was geen toeval?

Ze verwoorden het meer omzichtig, maar zoiets is wel de vrees van de Duitse kunsthistorici die zich hebben gedistantieerd van de expositie De l’Allemagne, 1800-1939, De Friedrich à Beckmann. Directeur en medewerkers van het Deutsches Forum für Kunstgeschichte vinden dat het Louvre een verkeerde indruk wekt: alsof de Duitse kunst los van Europa een eigen weg zou zijn gegaan. En die verdachte einddatum, 1939: alsof alle Duitse kunst sinds 1800 in die van het Derde Rijk is geculmineerd.

De l’Allemagne vormt geen bijdrage aan de goede verstandhouding tussen Fransen en Duitsers, is hun conclusie. En de expositie staat nog wel onder beschermheerschap van Merkel en de Franse president François Hollande en is opgezet ter herdenking van het Élysée-verdrag, waarmee bondskanselier Konrad Adenauer en president Charles de Gaulle in 1963 culturele samenwerking kracht wilden bijzetten. Zoals het nu is, markeert de tentoonstelling vooral dat Merkel en Hollande niet erg met elkaar kunnen opschieten.

Het Deutsches Forum für Kunstgeschichte in Parijs, met Duits overheidsgeld opgezet, was aanvankelijk door het Louvre gevraagd om medewerking te verlenen, maar zag zich halverwege de voorbereidingen plots ruw aan de kant geschoven. Directeur Andreas Beyer vertelt op de website van het Forum wat de Duitsers zich hadden voorgesteld: een tentoonstelling die zou laten zien hoe de esthetische ideeën die de grote Duitse dichter Goethe rond 1800 had geformuleerd, waren uitgepakt, culminerend in het modernisme van Bauhaus.

Toen de Duitsers het resultaat mochten zien van hun aanbevelingen – overigens pas tijdens de persbezichtiging vlak voor de publieksopening – waren ze onaangenaam getroffen over de uitkomst van wat in de expositie en de catalogus zuinig hun ‘wetenschappelijke medewerking’ wordt genoemd. Directeur Beyer distantieert zich. Volgens het Louvre is er niets aan de hand: gewoon een goed overzicht met talrijke topdoeken die nooit eerder in Frankrijk te zien waren. De bezoekersaantallen liggen ver boven de verwachting.

Op naar het Louvre. Rechtvaardigt de expositie de achterdocht van de terzijde geschoven Duitse curatoren? Ja, volkomen. Ik moest meteen aan mijn vader denken – lid van een generatie die aan de bezetting een instinctmatige afkeer had overgehouden aan alles wat Duits was. Voor hem geen Wagner of Nietzsche, en Duitse toeristen die hem de weg vroegen stuurde hij consequent de verkeerde kant op. De l’Allemagne had aan zijn beeld volledig beantwoord, in het bijzonder de idealistische kunst uit de negentiende eeuw: al die imposante bergen, zwangere zonsondergangen, overwoekerde ruïnes, peinzende ridders, reine maagden, watervallen en regenbogen – ‘fout’ zou hij ze hebben gevonden, ‘schuldig landschap’ avant la lettre.

Vooroordelen

Maar moeten die Duitsers er nu echt van uitgaan dat een jongere generatie bezoekers van de expositie lijdt aan zulke vooroordelen? Om nog maar te zwijgen over hun verdenking dat het Louvre de bedoeling kon hebben om de Duitse kunst, of Duitsland in het algemeen, in een kwaad daglicht te stellen.

De l’Allemagne is een prachtige tentoonstelling vol hoogtepunten: Caspar David Friedrich, Paul Klee, Max Beckmann, Otto Dix, de geweldige portretfotografie van August Sander. Uit de hele genoemde periode lijkt het beste en mooiste naar het Louvre gehaald en van veel kunstenaars zijn ook meer werken aanwezig, die hen in verschillende fasen van hun werk en de Duitse geschiedenis tonen.

Goethe moge dan als leidraad van de tentoonstelling het onderspit hebben gedolven, hij is wel prominent aanwezig, onder andere met tekeningen behorend bij zijn kleurenleer. Het verwijt dat de einddatum 1939 suggereert dat de hele Duitse kunst sedert 1800 in nazikunst zou culmineren, is ongegrond, want er is nauwelijks nazikunst op de tentoonstelling. Al keert de vroeg-negentiende-eeuwse hang naar de Griekse Oudheid onder Duitse schilders aan het eind van de expositie wel ironisch terug in de opnamen van Griekse beelden uit de film Olympia uit 1936. Hierin worden Griekse beelden ingezet ter verheerlijking van Hitlers Olympische Spelen.

Heel instructief laat het Louvre de opkomst en ontwikkeling van bepaalde thema’s in de Duitse schilderkunst zien: Griekse Oudheid, de ruïne in Italië, middeleeuwse sagen en legenden. En er zijn natuurlijk al die landschappen, veelal somber en altijd indrukwekkend en groter dan de mens. Alles in de negentiende eeuw lijkt zwanger van betekenis, van Duitse Geist. Nationale kunst was duidelijk een ernstige zaak.

De expositie begint en eindigt met een speciaal voor de expositie vervaardigd, hedendaags kunstwerk: Melancolia van Anselm Kiefer. Op grote panelen behandelt hij de welhaast mythische betekenis die Fransen en Duitsers aan de Rijn als grens hechten, en steekt daar ook een beetje de draak mee. Dit originele werk toont in ieder geval aan, dat er geen reden is de kunst als slachtoffer van vooroordelen voor te stellen.

Het moet echter gezegd, dat de wijze waarop het Louvre de werken heeft opgesteld, geëigend is oude wonden open te rijten. De indeling lijkt thematisch, met afdelingen die Apollo en Dionysos, de Natuur-hypothese en Ecce homo heten. Dat is ook de aanpak in de catalogus. Maar op de expositie zelf worden, op de tekstbordjes, de meeste werken in verband gebracht met hun eventuele bijdrage aan de wording van het Duits nationaal bewustzijn en de nationale ideologie: in het in talrijke vorstendommen verdeelde Duitsland van voor 1870, na het uitroepen van de Duitse eenheid in 1871 in het paleis van Versailles nadat Pruisen Frankrijk had overwonnen, en na de door Duitsland verloren oorlog van 1914-1918. Die fixatie op twee oorlogen en het feit dat het Duitse nationalisme nu eenmaal de hele twintigste eeuw door in de rest van Europa als een probleem is ervaren, maakt de argusogen waarmee het Deutsches Forum für Kunstgeschichte de Franse collega’s volgt, wel een beetje begrijpelijk.

De Duitsers hadden het zelf zonder twijfel anders gedaan: Bauhaus en andere modernismen gebruikend om te laten zien dat Duitse cultuur meer is geweest dan een overmaat aan idealisering, dat Duitse kunstenaars wel degelijk aansluiting hadden met de avant-garde in de rest van de wereld.

Maar in het Louvre is van zo’n goede afloop geen sprake: doeken van Max Beckmann, Otto Dix, George Grosz, Paul Klee, Käthe Kollwitz hangen er voornamelijk om aan te tonen hoe onder invloed van de Eerste Wereldoorlog de ‘heile Welt’ van de Duitse kunst, haar idealen en haar mensbeeld, desintegreerden in gruwel en cynisme – in nieuwe, opnieuw Duitse problemen kortom.

Mooi komt die transformatie tot uitdrukking in twee schilderijen van Lovis Corinth (1858-1925). Op Perseus en Andromeda uit 1900 zie je de held uit de Griekse mythologie zijn dame redden uit de klauwen van een zeemonster: gehuld in een middeleeuws harnas legt hij haar zorgzaam een mantel om de poedelnaakte schouders. Corinth hernam dit schilderij in 1925, op het hoogtepunt van de economische en morele crisis van de Weimarrepubliek. Op Ecce homo keert de figuur in ridderkostuum terug, maar Andromeda is nu een geboeide, gekwelde vrouw in een hoerig-rode jurk. Het edele gebaar uit 1900 is in een boze droom veranderd.

Vergeving

Duitse kunst – dat is zeker de indruk die je in het Louvre krijgt – is heel erg Duits. Maar gevoeligheid daarover lijkt vooral een Duits probleem: Duitsland zoekt in zijn europeanisering verlossing en vergeving voor een problematisch verleden. Culturele excommunicatie met Hitlersnorren op spotprenten of beoordeling van landschappen op hun nationalistisch gehalte, zijn daarbij minder welkom. Duitse eigenheid is iets waar moderne Duitsers liever niet de nadruk op leggen.

In dit opzicht gaan ze wellicht een moeilijke tijd tegemoet. In 2014 is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon, en Frankrijk en Duitsland elkaar onder groot enthousiasme van hun bevolking te lijf gingen. Die strijd werd in 1914 beleefd als strijd tussen twee culturen: een mythisch gevoel van roeping en Geist en afkeer van Franse decadentie aan de Duitse kant, een strijd tegen cultuurloze barbarij aan de Franse kant.

De Franse historiografie over de Eerste Wereldoorlog is lang door krijgskunde gedomineerd, maar de laatste jaren vinden ook culturele factoren meer bestudering. Alsmede de manier waarop de Duitse bezetters omgingen met de burgerbevolking in bezet Noord-Frankrijk bijvoorbeeld: massale deportatie, terreur, verplaatsing van groepen burgers naar verafgelegen delen van Duitsland als gijzelaar. Zulke methoden van ‘totale oorlog’ zijn dus niet pas onder de nazi’s uitgevonden, schrijft bijvoorbeeld de historicus Stéphane Audoin-Rouzeau. De Franse propaganda over de strijd voor de beschaving was misschien zo gek nog niet.

Markeert, na de politieke verkoeling op het niveau van de politieke leiders, de expositie in het Louvre een culturele verkoeling tussen Frankrijk en Duitsland? De wording van een Europese eenheidscultuur, met Franse en Duitse kunst als loten aan één stam, lijkt in ieder geval niet voor morgen.

‘De l’Allemagne 1800-1939’. T/m 24 juni in het Louvre. Inl: louvre.fr