Oud brein houdt kleuren mooi helder

Mensen blijven hun gehele leven ‘levendige kleuren’ zien en kunnen tot op hoge leeftijd dicht bij elkaar liggende tinten van elkaar onderscheiden. Dat is opvallend, want bij iedereen ‘vergeelt’ de ooglens langzaam onder invloed van uv-licht, hetgeen in theorie het kleurenzien ernstig zou moeten belemmeren. Uit onderzoek van Sophie Wuerger van de University of Liverpool blijkt nu echter dat de hersenen compenseren voor het kleurverlies. De resultaten van het onderzoek zijn gisteren gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS ONE.

Wuerger onderwierp 185 proefpersonen,variërend in leeftijd van 18 tot 75 jaar, aan een reeks kleurenzienexperimenten. De deelnemers moesten op een beeldscherm, waarop tegen een grijze achtergrond tien gekleurde stippen in een cirkel waren afgebeeld, die stip aanklikken waarvan zij dachten dat er zeker geen blauw of geel bijgemengd was. Dat leverde de stippen op die de proefpersonen ‘echt rood’ of ‘echt groen’ vonden. Omgekeerd moesten ze in een ander proefje ook aanwijzen in welke stippen zeker geen groen of rood zat, om te beoordelen wat zij als ‘echt blauw’ of ‘echt geel’ zagen.

De proefjes werden uitgevoerd in het halfduister, bij gesimuleerd daglicht of bij wit kantoorlicht, om de kleurbeleving onder verschillende omstandigheden te bepalen.

Wuerger constateert dat ouderen over het algemeen niet slechter kleurenzien dan jongeren. Wel zijn er subtiele verschillen, die waarschijnlijk verband houden met de vergeling van de ooglens, waardoor met name licht van kortere golflengtes (blauw, groen) deels wordt uitgefilterd. Onder daglichtomstandigheden blijken ouderen subtiele tintverschillen in groen niet goed te zien. Wat jongeren zien als knalgroen ervaren ouderen als gelig groen.

De hersenen blijken in staat de kleurverschuiving in het beeld die het gevolg is van ouder worden grotendeels te corrigeren. Maar net niet helemaal, schrijft Wuerger, vandaar het subtiele probleem met groen.