Muziek

klassiek Joshua Bell: Beethoven, Symfonieën 4 & 7 ****

De topviolist die dirigent wordt, het is een regelmatig terugkerend fenomeen. Soms met succes: zie Jaap van Zweden. Soms niet: zie het lauw ontvangen debuut van Nikolai Znaider bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Een groot violist is nog niet verzekerd van een goede slagtechniek. Verstandig dus dat Joshua Bell de Academy of St. Martin in the Fields niet leidt met een baton maar (meestal) met zijn viool. Concertmeester in de plaats van dirigent: het is bij kamerorkesten een beproefde opstelling die de verantwoordelijkheid van individuele leden vergroot. Bovendien sluit het aan bij de filosofie van Bell dat een goede dirigent onbetwist groepsleider, maar tevens organisch onderdeel van zijn orkest moet zijn.

Bell, al zo’n twintig jaar de beroemdste violist van de VS, werd vorig jaar music director van de Academy of St. Martin in the Fields. Een goede match, blijkt uit een cd met de symfonieën 4 en 7 van Beethoven. Het orkest speelt meestal spatgelijk, met intieme onderonsjes tussen eerste en tweede violen. Bell heeft goed geluisterd naar dirigenten van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk, getuige vibratoloze violen en puntig accentuerende blazers. Maar hij wil niet overdrijven: Beethoven mag in het eerste deel van de Vierde dan zonder blozen schakelen van pianissimo naar fortissimo, bij Bell blijven de dynamische contrasten wat gematigd. Dat zou een bloedeloze Beethoven kunnen opleveren. Ware het niet dat Bell en zijn orkest tot een warme uitvoering vol dartelend speelplezier komen – als om te bewijzen dat Beethoven geen schokeffecten nodig heeft om toch te boeien.