Kledingmerken voor de rechter

Kledingmerken die te maken hebben met de ingestorte textielfabriek in Bangladesh kunnen in Nederland voor de civiele rechter worden gedaagd, vindt Louise Vytopil.

Bij het instorten van een kledingfabriek in Savar, Bangladesh zijn, zo berichtte NRC, inmiddels 803 mensen om het leven gekomen. De instorting zou te wijten zijn aan slechte kwaliteit van het gebouw en trillende generatoren. De reacties lieten niet lang op zich wachten. In de media riep de Schone Kleren Campagne op tot ‘engagement’ door westerse kledingmerken en het uitbetalen van financiële compensatie aan families van de slachtoffers. Fabriekseigenaar Rana werd gearresteerd en wordt mogelijk strafrechtelijk vervolgd in Bangladesh. Ook werd de mogelijkheid van handelssancties tegen Bangladesh uitgebreid belicht. Maar het is ook mogelijk om westerse bedrijven die gebruik maken van fabrieken als die in Savar, in een civielrechtelijke procedure aansprakelijk te stellen en de schade van slachtoffers te verhalen.

Een dergelijke procedure die inzicht zou geven in de verantwoordelijkheid die westerse bedrijven hebben ten aanzien van hun handelsketens, is zeker mogelijk. Ngo’s in verschillende westerse landen hebben juridische en semi-juridische procedures (bijvoorbeeld bij OESO-contactpunten) geïnitieerd. In ons land werd zo’n laatste procedure gestart tegen graanbedrijf Nidera, dat ervan beticht werd gebruik te maken van slavernij in haar handelsketen in Argentinië. Ook oordeelde de rechtbank te Den Haag in januari van dit jaar dat Shell haar zorgplicht geschonden had en aansprakelijk was voor de schade die een boer in Nigeria leed als gevolg van olielekkage aan leidingen van Shell. Niet eerder kwam het voor dat een Nederlands bedrijf hier door de rechter aansprakelijk bevonden werd voor mensenrechtenschendingen die in het buitenland waren begaan. Zulke procedures worden veelal aangespannen bij een westerse instantie, omdat in de landen waar de schade zich voordoet het juridische systeem vaak kwaliteit, efficiëntie en onafhankelijkheid ontbeert.

In het geval van de ramp in Savar is het denkbaar dat een procedure wordt gestart door slachtoffers van die ramp, maar ook een al dan niet speciaal voor deze ramp opgerichte ngo zou kunnen proberen de schade te verhalen op westerse kledingbedrijven die bij de productie in Savar betrokken zijn.

En zo’n procedure is niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk. Een ramp als deze illustreert hoe noodzakelijk het is dat we duidelijkheid verkrijgen over de rol en juridische verantwoordelijkheid van westerse bedrijven van wie de productie in lagelonenlanden als Bangladesh gevestigd is. Een dergelijke procedure zou helderheid verschaffen, aan zowel het bedrijfsleven als de geëngageerde consument. Het zou vragen beantwoorden als: wat mogen we nu precies verwachten van Nederlandse bedrijven? Hoe ver moeten zij gaan in het screenen van hun handelsketen, temeer als duidelijk is dat audits maar beperkt inzicht geven in die ketens en deze vaak uit een enorm aantal schakels bestaan? Als de handelsketen mensenlevens eist, moeten bedrijven zich dan terugtrekken van productie in de betrokken fabrieken of juist blijven en pogen de arbeidsomstandigheden te verbeteren? Zijn westerse bedrijven, kortom, medeverantwoordelijk voor schade die werknemers in lagelonenlanden lijden?

In de tussentijd kiezen verscheidene bedrijven ervoor om dan maar helemaal geen productie meer uit te zetten in landen als Bangladesh. De New York Times berichtte bijvoorbeeld dat Walt Disney Company, met een omzet van veertig miljard dollar, al na de fabrieksbranden in Pakistan eerder dit jaar besloot productie te verplaatsen van Bangladesh en Pakistan naar minder riskante landen. Het moge duidelijk zijn dat hiermee het probleem vermeden wordt. Een exodus van westerse bedrijven lost het probleem van beroerde arbeidsomstandigheden die mensenlevens kosten, immers niet op.

Door middel van een procedure gericht op het verhalen van de schade zou eindelijk inzicht kunnen worden gegeven in de rechten, plichten en verantwoordelijkheden van westerse bedrijven en hun handelspartners, vaak uit de Derde Wereld. Zo’n procedure kan die verplichtingen verduidelijken en op termijn vergelijkbare rampen voorkomen.

A.L. (Louise) Vytopil is promovenda aan de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op juridische aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen in de handelsketen.