Het verlangen naar taal is heel groot

‘Je weet toch dat woorden – alle willekeurige woorden – niets anders dan een slechte vertaling van het origineel zijn. Alles speelt zich af in de taal die er niet is. En die niet-bestaande woorden zijn de echte.’

Dat zegt een schrijver tegen zijn personage, of God tegen een mens, in de roman Onvoltooide liefdesbrieven van Michaïl Sjisjkin. Een schitterende roman. Met een onwaarschijnlijk prachtige toon en stijl – zou dat door het Russisch komen dat eraan ten grondslag ligt? Of door vertaler Gerard Cruysse? Alle twee waarschijnlijk. De boeken van de Deense schrijver Jens Christian Grøndahl zijn niet meer goed te lezen sinds Gerard Cruysse ze niet meer vertaalt. Zijn opvolgster maakt zijn zinnen houterig, zijn beelden slap – in een stuk over het vertalen van Grøndahl zegt ze onomwonden dat ze zijn taal vaak niet mooi vindt. Ik ook niet meer sinds zij die vertaalt.

Vertalingen zijn onmogelijk en toch ongelooflijk belangrijk. En niet alleen als het gaat om literatuur.

Dat laatste zegt degene die in het bovengeciteerde aan het woord is. Alles is een slechte vertaling van het origineel. Alles speelt zich af in een taal die er niet is.

Dat is waar. Vandaar waarschijnlijk de populariteit van het vreselijke woord ‘vertaalslag’ die dan altijd ‘gemaakt’ moet worden om, tja, om zoiets te doen als zich aan te passen of iets duidelijk te maken.

We proberen voortdurend iets duidelijk te maken. Maar dat wat we duidelijk willen maken, is bijna altijd niet van taal. De hele werkelijkheid is geschreven in een taal die er niet is.

Ik kijk naar de uitbundig bloeiende paardebloemen in het gras, madeliefjes en ereprijs ertussen, hier en daar pinksterbloemen. De wereld is zo vol in mei, ik wil haar niet maaien en loop halve dagen niet anders te doen dan op te sommen: tulpen! rood! paars! Wolkige pruimenbloesem. Kijk die koeien, zwartbonte! En hoor de zwartkop zo luid fluiten! En in de verte: wulpen! De viooltjesblauwe viooltjes! Enzovoort. Vreselijk saai, al is er gelukkig niemand die het hoort als je zo in jezelf bezig bent de wereld met nadruk aan jezelf bekend te maken.

Wat wil je met die woorden?

Taal maken, van alles wat zich niet in taal afspeelt. Omdat je om een of andere reden je zintuigen niet genoeg vindt, dat wat je ondergaat moet meedeelbaar worden, desnoods alleen maar aan jezelf.

Het verlangen naar taal is heel groot.

En taal is altijd onbeholpen. Niet alleen om te beschrijven wat je ziet, want wat je ziet is nooit alleen wat je ziet. Rood (van tulpen bijvoorbeeld!) is meer dan een kleur, het is een intensiteit, het is een contrast met het groen van het gras, het zegt iets vrolijks en sterks over deze dag, over mijn leven, iets dat veel meer is dan de mededeling: buiten bloeien rode tulpen.

Michaïl Sjisjkin weet dat maar al te goed. Die roman van hem, die als een soort nieuwe Julie, ou la nouvelle Heloïse bestaat uit de brieven tussen twee van elkaar verwijderde geliefden, die roman wil het hele leven in woorden vangen. Dat kan niet. Maar het kan ook wel.

De tijd kan in taal heel buigzaam zijn. Jaren vliegen voorbij op een bladzijde. Een paar minuten duren eindeloos op een andere.

De ene geliefde leeft een heel leven in de loop van Sjisjkins boek. De andere zit voor altijd gevangen in een verschrikkelijk oorlogsheden.

Zo gaat het met brieven en herinneringen. Wie brieven leest uit het verleden komt weer in de vertraagde tijd van toen terecht – in die brieven staan details van dagen die nergens meer te vinden zijn. Wie aan het herinneren slaat, pakt alleen losse flarden op uit de schatkamer van het geheugen en zegt: „Herinner je je onze tafel onder de sering, bedekt met een zeiltje met een grijsbruine driehoek – het spoor van een heet strijkijzer?” Dat is een mooi detail, dat je de indruk zou kunnen geven dat je alles nog weet. Maar in het heden stopt het beeld daar niet, er zijn meteen weer andere indrukken, er zijn gesprekken, geuren, gedachten. Het heden is niet te vangen. Maar toch vangt wie brieven schrijft een deel ervan, in woorden.

De brieven gaan aanvankelijk ook over het geluk.

Ook zo’n woord. Maar ook een gevoel. De ene briefschrijver haalt Marcus Aurelius aan: „Geen mens is gelukkig zolang hij zichzelf niet gelukkig acht.”

Het valt de geliefden steeds moeilijker om zichzelf gelukkig te achten. Ze komen eerder tot een ander inzicht, „dat de mens niet verplicht is gelukkig te zijn”.

Ja, het is wat veel van het goede, om almaar gelukkig te moeten zijn. Maar zo’n voorjaarsdag waarop je naar de rode tulpen kijkt, koolmeesjes hoort fluiten en hartstochtelijk probeert woorden te vinden, woorden, voor wat geen woorden zijn maar wat je wilt delen, die is toch een vorm van geluk.

„Schrijven, jongen, hoeft niet leesbaar te zijn, als het maar oprecht is! Begrepen?”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.