Hannah Arendt (2)

Hannah Arendt zag geen demon in Eichmann, eerder een gewoon mens, bij wie het kwaad niet voortkwam uit ideologische overtuiging maar uit gedachteloosheid, een onvermogen tot reflectie en empathie. Ze muntte er de beroemd geworden term ‘banaliteit van het kwaad’ voor.

Zij vergiste zich deerlijk, zeggen haar tegenstanders. Eichmann wist heel goed wat hij deed, hij was een nazi en antisemiet en organiseerde de deportaties van Joden efficiënt.

Ligt het zo zwart-wit? Misschien is er een tussenweg, zoals een biograaf van Eichmann heeft geopperd. Arendts theorie over de banaliteit van het kwaad, dat in de gewoonste mensen kan schuilen, blijft dan overeind, alleen is Eichmann er het verkeerde voorbeeld bij; hij hoort wel degelijk tot een categorie van extreme oorlogsmisdadigers.

In de speelfilm Hannah Arendt laat regisseur Margarethe von Trotta de keus aan de kijker. Die voelt zich daartoe bijna gedwongen omdat de controverse over Arendts visie het belangrijkste bestanddeel van de film is.

Daardoor raakt een ander essentieel aspect van Arendts leven op de achtergrond: haar relatie met de filosoof Martin Heidegger.

Von Trotta handelt die relatie in slechts enkele scènes af. Ze laat zien hoe Hannah als studente in de ban raakt van haar beroemde, getrouwde leermeester en in 1925 een vier jaar durende affaire met hem begint. Na de Tweede Wereldoorlog verzekert hij haar dat hij niet gecollaboreerd heeft. Zij gelooft hem.

Dat strookt met de feiten, maar als kijker vraag je je wel verbijsterd af: waarom was ze zo lichtgelovig – en blééf ze dat? Von Trotta komt aan die vragen niet toe.

Er is veel over de relatie Heidegger-Arendt geschreven. Zo weten we dat Arendt (ook zelf getrouwd) niet slechts één keer naar Heidegger is teruggekeerd, maar regelmatig van Amerika naar Duitsland vloog om hem op te zoeken. Ze moest er het reusachtige, en ook wel enigszins begrijpelijke, wantrouwen van Heideggers vrouw Elfride voor trotseren. Tot een fysieke relatie zal het wel niet meer gekomen zijn – Frau Heidegger bleef zoveel mogelijk in de buurt – maar hun vriendschap duurde voort, al waren er pieken en dalen.

Voor Heidegger had deze vriendschap grote praktische waarde. Arendt kon zijn werk in Amerika promoten. Bovendien had ze een belangrijk aandeel in het relativeren van zijn rol als collaborateur. Daar was weinig reden voor, want de feiten van zijn collaboratie logen er niet om. Als rector van de universiteit van Freiburg riep hij op tot steun aan de Führer en nam hij ongunstige maatregelen voor Joodse studenten en professoren. Na de oorlog hing hij de vermoorde onschuld uit, daarbij geholpen door invloedrijke relaties, onder wie Arendt.

Hoe kon ze dat doen? Ik heb er de afgelopen dagen tal van publicaties op nageslagen, maar kwam er niet uit. In 1946 schreef ze aan de filosoof Karl Jaspers dat zij „niet anders kan dan Heidegger voor een potentiële moordenaar houden”. Maar nadat ze hem in Duitsland heeft opgezocht, wordt ze veel milder en beschouwt ze hem niet meer als een echte collaborateur. Ze twijfelde tussen haar verstand en haar gevoel, schreef Elzbieta Ettinger in haar boek over deze relatie. Ze wilde zich wel van zijn macht bevrijden, maar niet ten koste van zijn vriendschap en (misschien) liefde.

Je ontkomt bijna niet aan de pijnlijke conclusie dat Arendt in haar oordeel over zowel Eichmann als Heidegger te mild is geweest.