Gele kleipruiken op afrokapselreclame

De Amerikaanse kunstenaar Ellen Gallagher verwerkt haar eigen multiculturele achtergrond in humoristisch-kritische collages. Die zijn nu te zien in Tate Modern. Maar haar atelier staat in de Rotterdamse haven. „Rotterdam is spannend zonder cool te zijn, het voelt als een geheim.”

Boven: ‘Wiglette from DeLuxe’, 2004 Foto Ellen Gallagher Onder: Ellen Gallagher aan het werk

Voorbij de Marconitorens, in een uitgestrekt gebied vol kranen en loodsen, begint de Rotterdamse haven. Daar, waar trottoirs zomaar ophouden en het vrachtverkeer ruim baan krijgt, staat een oud bakstenen havenkantoortje. Kunstenaars hebben er de waterklerken vervangen. Op de bovenste verdieping zit een Amerikaanse kunstenaar, Ellen Gallagher, die er geniet van het licht dat vanaf de waterkant door de hoge ramen naar binnen komt. Maar vandaag, het is half april, geniet ze wat minder. „Een beetje crisis”, glimlacht ze terwijl ze thee zet. „Bel alsjeblieft Nicole”, vraagt ze haar vriend Edgar Cleijne, ook kunstenaar, die knikt. Zojuist arriveerden de drukproeven van de catalogus voor haar solotentoonstelling in Tate Modern in Londen. Wat schortte eraan? Nou, de werken stonden nog net niet ondersteboven. „Nicole is Zwitsers”, zegt Gallagher, „die regelt dat wel.”

Ze zet de thee neer in een bibliotheekhoek van haar enorme atelier, dat gevuld is met werktafels, kasten vol boeken van de Russische constructivisten tot Nederlandse typografie en de Afrofuturisten, en vele eigen catalogi. Sinds ze twintig jaar geleden de New Yorkse kunstwereld veroverde, is haar naam gevestigd. Nicole is projectcoördinator bij Hauser & Wirth, de Zwitserse galerie van Gallagher, die tevens wordt vertegenwoordigd door galeriegigant Gagosian.

Maar in Nederland heeft ze die sterrenstatus niet en kan ze in alle rust werken – al tien jaar verdeelt ze haar tijd tussen haar ateliers in Rotterdam, waar ze bestuurslid is van Witte de With, en New York: „Kosmopolitische steden zijn cultureel altijd goed voor mij geweest. En Rotterdam is een echte stad, met mensen uit zo veel windstreken, meer nog dan Manhattan, een beetje als Marseille of Queens. Je zit zo in Brussel, Londen, Parijs, maar ik krijg er ook gewoon mijn werk gedaan. Rotterdam is spannend zonder cool te zijn, het voelt als een geheim.”

En dat terwijl haar eerste galeriehouder Mario Diacono haar nog zo waarschuwde twintig jaar geleden: ‘Ga niet naar Europa!’ De reden was dat hij – zelf Italiaan – in haar werk iets heel Amerikaans zag wat zich volgens hem moest ontwikkelen. Hij schreef een nog altijd valide tekst over hoe ze met allerlei historische verwijzingen inhaakt op de twintigste eeuw als de tijd van modernisme, technologie, maakbaarheid, waarin de mens de aarde ging afstruinen zonder God of goederen, zelf zijn leven vormgevend en dromen najagend.

Om dat te bewerkstelligen voer de mens over dezelfde zeeën als de vrachtschepen rond Gallaghers atelier – zeeën die mensen meenemen naar nieuwe levens, maar die ook levens nemen. Op haar tafel liggen filmstills uit de film Osedax die ze met Cleijne maakte van 3D-animaties. Daarin sterft een walvis, zinkt, en wordt zo een eigen ecosysteem. Gruwelijk, vindt Gallagher, maar de prints zijn fabelachtig mooi. In de Tate presenteert ze meer films waar figuren door kleurflarden zwemmen, herinnerend aan ontstaansmythes. Zoals de verhalen dat zwangere slavinnen uit de slavenschepen de dood tegemoet sprongen en op de zeebodem leven schenken aan een nieuw Atlantis.

Mythes

Zo verbindt Gallagher stukjes geschiedenis, kunst, mythes, tot iets wat geen eenduidig verhaal is, immers, de wereld is niet eenduidig. Als gastcurator in het MoMA mocht ze dit in praktijk brengen met een tentoonstelling als een feestje waarop ze al haar helden uitnodigde. Ze verweefde hen tot een kunsthistorisch web dat je in de boekjes nooit aantreft – minimalisten naast reclames. Van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum leende ze een oude Nederlandse maritieme prent: „Die gaat over diaspora, zoals over de vele Kaapverdiërs die in Rotterdam wonen. Ik ben van Kaapverdische origine. Dat hing ik bij de Krazy Katstrips van George Herriman, uit de jaren twintig, de tijd van racistisch lynchen. Licht genoeg om door te gaan voor Griek verborg hij zijn zwarte komaf, maar in zijn minstreel-achtige werk zit die ras-taal toch echt verstopt.”

Dit MoMA-web nam ze als model toen ze werd gevraagd voor een ‘mid career’-tentoonstelling in Tate Modern. Ze besloot opnieuw een web te weven, nu vanuit haar eigen werk. Centraal staat haar serie De Luxe (2004-2005), collages naar oude tijdschriftadvertenties voor Afro-Amerikanen uit de jaren veertig. „Die advertenties voor medicijnen tegen likdoorns, astma, hoofpijn, waren voor lichamen die hard werkten. Zo werkten mensen zich op tot de middenklasse, waarop je na de oorlog reclames ziet voor gestraight haar en gladde pruiken, als om de zwarte Amerikaan te helpen assimileren in de witte maatschappij – wat altijd gepaard gaat met de pijn van een onhaalbaar verlangen, het racisme van jezelf ontkennen.

„Zo blader ik door decennia heen, voor een afrohelikopterperspectief. De Luxe is ook een toonbeeld van de macht van de commercie, de belofte van integratie, en de teleurstelling die in het verschiet ligt. Want wat krijg je dan? Dat je whiskey kunt kopen. Producten. Belofte en truc ineen. Tegen dit alles ontstond natuurlijk weerstand, Black Power, Afrofuturisme. Met waanzinnige kapsels zoals the Supremes, zo trots en totáál niet geïntegreerd. Dit zijn de tegenstellingen die je in een stad tegenkomt, daar gaat het stadsleven over. Over potentie én wreedheid.”

Gallagher voert die letters van de advertenties en flamboyante pruiken uit in plasticine-klei die nooit droogt. De kneedbare mens, in een altijd veranderende wereld. Bij De Luxe staat een klimrek naar voorbeeld van de Nederlandse architect Aldo van Eyck – toen modern bouwen de mens zou verbeteren – dat ze bedekt met een Creools reliëf van pruiken en lippen. Zelf figureert haar beeltenis in een fotocollage als odalisque van Ingres, strak kijkend naar Freud, de man die het lichaam van de vrouw ‘een donker continent’ durfde te noemen.

Zo vloeit alles voort, zonder oordeel – Freud tekende ook zeewezens, en zijn psychologie om geblokkeerde herinneringen te deblokkeren volgt Gallagher eigenlijk ook. Symboliseert haar fluïde waterwereld dat je jezelf nooit kunt begrijpen en dat identiteit een mythe is? „Ja, het gaat over identiteiten, meervoud, altijd in beweging. Mijn Ierse tak van de familie wilde mijn werk begrijpen, maar dat lukt niet. Ik lever geen sociale kritiek. Ik als rasexpert? Dat zou pervers zijn.”

Met uitzicht op het water dat naar de zee stroomt, staat in het atelier een aantal half-voltooide schilderijen van zeewezens. Die krijgt de Tate niet – ze zijn voor het New Museum in New York waar in juni ook een grote tentoonstelling opent – twee solo’s, aan weerszijden van de oceaan. „Daar was de Tate niet heel blij mee, maar ik denk dat dit goed voor me is. Twee plekken, een kruising. Dat is waar ik sta.” Intussen blijkt een fietskoerier met proeven in aankomst – Nicole is echt goed – en blijft het atelier rust uitstralen, net als Gallagher zelf. Op de achtergrond bromt de haven. „Die haven is een juweel, en dat geluid, het is alsof de haven mijn babysitter is.”

Ellen Gallagher, ‘AxME’. T/m 1 sept in Tate Modern, Londen. Inl: www.tate.org.uk Ellen Gallagher, ‘Don’t AxME’. 19 juni t/m 15 sept in The New Museum, New York. Inl: www.newmuseum.org