Dromen met de doden

De Israëlische schrijver Aharon Appelfeld (1932) leeft in zijn romans altijd in het boze sprookje van zijn jeugd. Dat sprookje speelt zich meestal af in Boekovina, voor de Tweede Wereldoorlog een streek in Roemenië met een grote Joodse bevolking, arm en religieus of geassimileerd en opgaand in de middenklasse. Die Joden hadden één ding met elkaar gemeen: allemaal waren ze van tijd tot tijd slachtoffer van het antisemitisme dat na de Eerste Wereldoorlog in Oost-Europa steeds agressiever werd.

Dat laatste heeft Appelfeld geweten. In 1941 viel het Roemeense leger, een trouwe bondgenoot van de Duitsers, het stadje binnen waar hij met zijn ouders woonde, en vermoordde zijn moeder. ‘Haar dood heb ik niet gezien, maar haar ene en enige schreeuw heb ik gehoord’, zou hij in 2003 in zijn herinneringen Het verhaal van een leven over die gebeurtenis schrijven.

Samen met zijn vader werd hij door Roemeense nazi’s naar een concentratiekamp in Transdnjestrië gedeporteerd. Maar hij wist te ontsnappen en zwierf drie jaar lang door Oekraïne, van schuilplaats naar schuilplaats. Daar maakte hij de vreselijkste dingen mee, totdat hij zich bij het Rode Leger aansloot.

In 1946 vertrok Appelfeld, zoals veel andere Joodse displaced persons naar het Britse mandaatgebied in Palestina. In een vluchtelingenkamp vond hij zijn vader terug, een gebeurtenis waarover hij nog altijd niet kan schrijven.

In 1980 maakte ik kennis met Appelfelds werk, toen zijn roman Badenheim 1939 in het Engels werd vertaald. Het boek speelt zich af in een imaginair kuuroord waar veel welgestelde Joden krampachtig hun naderende vernietiging proberen te ontkennen. Badenheim maakte hem wereldberoemd. De nachtmerrie die hij verbeeldde kan ik me tot op de dag van vandaag herinneren.

Slaapjongen

In Appelfelds onlangs in het Nederlands verschenen roman De man die niet ophield met slapen is die nachtmerrie verzacht tot een reeks bitterzoete dromen. Hoofdpersoon Erwin – overigens de ware voornaam van Appelfeld – is een jongen die de oorlog ternauwernood heeft overleefd en door zijn lotgenoten letterlijk naar Palestina wordt gedragen, omdat hij vrijwel permanent slaapt. Zijn bijnaam luidt dan ook ‘de slaapjongen’ .

In zijn dromen ontvlucht Erwin het heden van de vluchtelingenkampen van Napels en Palestina om zich in het verleden bij zijn vermoorde ouders te voegen en zijn leven met hen voort te zetten. De bergen van de Karpaten en de bosrijke omgeving van het vooroorlogse Czernowitz vormen het schilderachtige decor van die idylle. Het gaat bijvoorbeeld zo: ‘Ik viel in slaap en ik droomde dat ik naar huis terugkeerde. Vader zat in zijn kamer te schrijven, moeder was in de keuken bezig. De stilte waar ik zo van hield heerste in die kamers, ik was alleen verwonderd dat mijn ouders er iets van gemerkt hadden dat ik thuis was gekomen.’

Maar vervolgens valt er een rouwsluier over dat sprookje, zodra Erwin zich een verrader voelt, omdat hij de oorlog wél heeft overleefd en zijn ouders niet. Hij is het verweesde kind dat om ouderlijke liefde vraagt, maar weet dat hij die niet meer zal krijgen. En precies dat maakt De man die niet ophield met slapen tot zo’n wrang boek.

Behalve van zijn ouders droomt Erwin ook van zijn oom Arthur. Die wijst hem erop dat het ‘spierballenjodendom’ van Erwins zionistische kameraden, die hun dagen doorbrengen met sporten, wapenbeheersing en het leren van Hebreeuws, nergens toe kan leiden. Daardoor beseft Erwin steeds meer dat hij door zijn vrienden te volgen zijn Europees-Joodse’ identiteit zal opgeven om in een nieuwe mens te transformeren. Als hij die stap maakt, zal hij zijn ouders en hun wereld voorgoed verliezen. En dat is iets waar hij zich tegen verzet, totdat het echt niet meer kan.

Erwins vader is een mislukt schrijver, wiens manuscripten keer op keer door uitgevers worden afgewezen. Het doet zijn zoon besluiten ook schrijver te worden. Erwin stort zich daarom op het Hebreeuws en kopieert hele stukken uit de Bijbel om zich die taal eigen te maken. Op die manier wil hij goedmaken wat zijn vader niet is gelukt en zo diens leven voortzetten.

Vuurgevecht

Het keerpunt van Erwins verlangen wordt bereikt wanneer hij in een vuurgevecht met Arabieren gewond raakt en aan beide benen verlamd dreigt te raken. De realiteit van de oorlog dringt zich nu opnieuw aan hem op.

De ode die Erwin aan zijn omgekomen ouders brengt, bereikt door die gebeurtenis een hoogtepunt. Niet eerder was zijn verleden in Boekovina zo betekenisvol voor hem. Het leven was er mooier en beter – zolang zijn ouders bestonden. In een laatste poging om weer te kunnen lopen wil Erwin opnieuw terug naar dat land van herkomst, totdat zijn moeder hem in een droom duidelijk maakt dat hij daar nooit zal aankomen.