Ben ik strafbaar omdat ik er ben?

Illegaliteit moet strafbaar worden, zegt het regeerakkoord. De PvdA-achterban is er niet blij mee. Zondag is er een extra vergadering van de ledenraad. Intussen scharrelen Ali en Amadu in Nederland al tien jaar illegaal een bestaan bij elkaar. „Ik kan nooit iets terugdoen voor mensen die zich om mij bekommeren.”

Ik droom niet van een bijzonder leven”, zegt Ali. „Ook niet van rijkdom, niet van een villa. Ik droom van een eigen sleutel. Achter de deur die ik open, is een plek voor mezelf. Ik mag daar zijn. Met een vierpits gasstel en een douche met alleen mijn eigen fles shampoo. Ik droom van een baan die ik gewoon mág hebben. Soms, steeds minder vaak, droom ik van een vrouw. En misschien wel van een kind.”

Ali Isiaki is 26 en illegaal sinds zijn achttiende. Net als Amadu Diallo, ook 26. En straks zijn ze niet alleen illegaal maar ook strafbaar. Waarom strafbaar, vraagt Ali. Ben ik strafbaar omdat ik er ben? Vertel me eens precies wat ik heb gedaan dat ik strafbaar ben?

Wij zeggen niets. We vragen alleen: Gaan jullie mee zeilen? Natuurlijk gaan ze mee zeilen. Al hebben ze nog nooit gezeild. En al kunnen ze niet zwemmen. Zeilen symboliseert vrijheid. En zeilen is heel Hollands. Dat past mooi bij hun verhaal, vinden ze.

Ze komen aan. Ali op een oude fiets, Amadu met de metro, het laatste stuk achterop bij Ali. We fietsen naar de Kralingse Plas in Rotterdam, naar de zeilschool van Henk van Gent. De boot voor deze illegale jongens is vandaag gratis, heeft hij gezegd. Ze sjorren hun zwemvesten stevig vast en Amadu kijkt een beetje zorgelijk. Maar er ligt een motorboot klaar, mocht er iets gebeuren.

De zon schijnt, de wind is vlagerig, de boot wiebelt. Ali leert hoe hij de fok moet bedienen. We zeilen zo rustig mogelijk. Dan gaat de boot schuin, Amadu zit aan de lage kant maar kan niet omhoogkomen om aan de andere kant te gaan zitten. Ook niet met hulp van de schipper. Hij kijkt benauwd. Ali’s lach schalt over het water. Als de boot weer recht ligt, laat hij zijn handen door het water glijden.

Als hij het roer overneemt, zwabbert de boot over het water. De fotograaf die op de boeg staat en zich met een hand vasthoudt, gaat snel in de boot zitten.

Onafscheidelijk

Op hun vijftiende kwamen ze naar Nederland. Ali uit Benin. Amadu uit Guinee. Ze kwamen alleen, als alleenstaande minderjarige asielzoekers. Tijdens hun asielaanvraag zaten ze naast elkaar in de wachtruimte. Ze zijn sindsdien onafscheidelijk en zien elkaar als broers. Ze zijn de enige familie die ze hebben.

Tot hun achttiende waren ze legaal. Ze gingen naar school, konden sporten, gingen af en toe uit, en naar de film.

Sinds hun achttiende verjaardag zijn ze illegaal. Ze moeten terug naar hun land. Dat willen ze niet, ze hebben daar niemand meer. Maar niet willen is geen optie, dus gingen ze verschillende keren naar Brussel, naar de ambassades van Benin en Guinee. Om na heel lang wachten aan een Afrikaan achter een formicabureau te vragen om uitreispapieren. Zonder resultaat. Ze moeten bewijzen dat ze écht uit Benin en Guinee komen. Daarvoor hebben ze documenten nodig. Maar die hebben ze juist niet, die komen ze vragen. Terug naar Afrika kan niet. In Nederland blijven kan ook niet. Ze overleven in niemandsland.

Diepere kringen

Sinds anderhalf jaar volgt deze krant de mannen. We gingen mee naar ambassades in Brussel. We zagen hoe ze eten bij elkaar sprokkelen. We leerden via hen de allergoedkoopste adresjes voor kip kennen. Want zonder kip geen leven. We zaten op de bank van een kennis van Ali waarop hij al lange tijd mag slapen. Fijn, maar hij kan pas naar bed als niemand meer naar de televisie wil kijken. We zagen hoe Amadu steeds weer zijn koffers moet pakken, en steeds diepere kringen onder zijn ogen krijgt.

We maakten kennis met hun netwerk van vrienden en bekenden, noodzakelijk om te overleven in een grote Nederlandse stad. We zagen hoe zij iedereen onderverdelen in mensen mét en mensen zonder papieren. Een onderscheid dat niets zegt over de betrouwbaarheid en echte vriendschap.

En we gingen mee naar de bijles van Ali. Want Ali geeft bijles. Hij helpt een vriendin van Amadu uit Guinee. Ze kwam in 2009 naar Nederland, in 2010 kreeg ze een verblijfsvergunning. Waarom zij wel en hij niet, vraagt hij zich niet af. Er is toch geen antwoord op.

Hij hielp haar eerst met haar inburgeringscursus. En nu met haar opleiding in de zorg. En met de theorielessen voor haar rij-examen. Ali geeft ook bijles aan de kinderen van twee gezinnen uit Benin. De ouders kunnen hun kinderen niet met hun huiswerk helpen. Als Ali de stof niet meteen begrijpt, neemt hij de boeken mee naar huis en leest hij tot hij alles weet.

Huis uitzoeken

En zo erg hebben Ali Isiaki en Amadu Diallo het niet eens. Wat te denken van de moeder van drie jonge kinderen, slachtoffer van mensenhandel. Zij wonen met z’n vieren op één kamer. Zij moet het land uit. En de jongen van 14 uit Den Haag, hier geboren, die naar Egypte moet. Terwijl hij daar vermoord zal worden, dat zegt zijn pa. En de illegale en dakloze Heleen die bijna op straat een kind kreeg. Ook zij wonen in Nederland en werden beschreven in deze krant.

Toch is het moeilijk om Ali Isiaki en Amadu Dialo te zien worstelen met het leven. Hoe beter je ze leert kennen, hoe moeilijker. Want dan worden het gewoon mannen van 26 met goede hersens en een uitzichtloos bestaan. Die toch moed houden en om zichzelf kunnen lachen. Hé broer, riep Amadu vanmiddag vanaf de bagagedrager. „Er staan hier zoveel huizen te koop, laten we er een uitzoeken.”

Hen af en toe trakteren op een film, etentje of uitstapje vergroot het gevoel van machteloosheid. „Want”, zegt Ali, „ik vind het moeilijk dat ik nooit iets terug kan doen voor de mensen die zich om ons bekommeren. Áls ik ooit een verblijfsvergunning krijg, is dat het eerste dat ik ga rechtzetten.”

Als hij papieren zou krijgen, wil hij meteen een opleiding beginnen, vertelt hij na het zeilen in een café. Hij wil iets leren waarmee hij snel aan de slag kan. Elektrotechniek bijvoorbeeld. Met een baan zou hij een relatie wel aandurven. Nu kan dat niet, hij wil er niet eens aan denken, zegt hij. Afhankelijk zijn van een vrouw die geld moet verdienen voor hem, hij kan het zich niet voorstellen.

En als hij nou de boodschappen doet, het huis schoonhoudt, wast en voor de kinderen zorgt?

Hij aarzelt. Lacht schuchter. „Als er iemand is die dat echt zou willen, zou het kunnen misschien.”

’s Avonds mailt Ali vanaf de computer van een vriend: „Wij willen jullie heel erg bedanken voor het uitje. Het was heel erg leuk. Ik had zo veel gelachen en genoten. Dit uitje gaf me een vrijheid gevoel.”