Af en toe porren in open zenuwen

De verhalen van Scott Fitzgerald zijn veel minder bekend dan de romans waar hij niet van kon rondkomen. Twee nieuwe bundels bevatten de beste.

Francis Scott Fitzgerald was de vleesgeworden sociaal-economische barometer. Weinig schrijvers volgden, in carrière en persoonlijk leven, zo feilloos de grillen van het interbellum, en weinigen deden zo nauwgezet verslag van de opkomst en ondergang van een ‘verloren generatie’.

Fitzgerald maakte naam tijdens de hausse van de roaring twenties, met verhalen over een gegoede klasse die starnakel en op de klanken van koortsachtige jazz een fortuin verkwistte. De schrijver braste hard mee, samen met echtgenote Zelda, die psychische problemen zou krijgen en vaak moest worden opgenomen.

Die keerzijde diende zich vrijwel tegelijk aan met de Depressie, een periode waarin ook Fitzgeralds werk en leven danig in het slop raakten. Zijn productie nam af – hij deed eindeloos over het meesterwerk Tender is the Night (1934) –, zijn gezondheid leed onder drankmisbruik, zijn humeur onder geldgebrek. (Een telegram uit die tijd: ‘SEND MONEY STOP QUICK STOP.’). Uiteindelijk trok hij naar Hollywood om zich voor de studio’s te hoereren. Daar overleed hij, op 21 december 1940, 44 jaar oud, minder dan een jaar voor de aanval op Pearl Harbor, het volgende breekpunt in de Amerikaanse geschiedenis.

Het kan verkeren. Fitzgeralds werk, in 1940 vrijwel vergeten, is inmiddels gecanoniseerd, zijn leven is door biografen tot op de laatste kassabon uitgeplozen, en zijn bekendste roman, The Great Gatsby (1925), is zojuist verfilmd door spektakel-regisseur Baz Luhrmann, met niemand minder dan Leonardo DiCaprio in de hoofdrol. Gatsby is en blijft Fitzgeralds meesterstuk, en voor wie die compacte roman nooit gelezen heeft: alleen al de opsomming van Gatsby’s feestgangers is de aanschafprijs meer dan waard.

Fitzgerald korte verhalen zijn minder bekend, en dat is door de bank genomen terecht. Hoewel romans hem geen fatsoenlijke boterham garandeerden, investeerde Fitzgerald er wel de meeste energie in. Ze zijn volwassener en minder zoet dan de verhalen waarvoor hij van The Saturday Evening Post soms meer dan een modaal jaarsalaris per stuk ontving.

Een aantal verhalen bleek gelukkig langer houdbaar dan de cheques die Fitzgerald er voor kreeg. Een aantal daarvan zijn gebundeld in twee recente uitgaven: het door Ernest van der Kwast samengestelde De rijke jongen en de novelle Een dag in mei, uitgebracht door de kleine maar kwalitatief hoogwaardige uitgeverij Karaat. Die novelle gaat vergezeld van een lijvig nawoord over Fitzgerald en de Jazz Age, en twee essays van Fitzgerald zelf: ‘Echo’s van de Jazz Age’ en ‘Mijn verdwenen stad’. Het biedt historische context, die in het nawoord van De rijke jongen nogal schetsmatig blijft.

Jazz Age

Een dag in mei was voor Fitzgerald een belangrijk en atypisch verhaal, bestaande uit een mozaïek van verhaallijnen die elkaar kruisen op 1 mei 1919, de dag van de ‘May Day Riots’. Voor Fitzgerald was dit het officiële begin van de Jazz Age. Zoals hij in zijn essay over dat tijdsgewricht schrijft: ‘De tienjarige periode die – alsof ze niet achterhaald in bed wilde sterven – in oktober 1929 op spectaculaire wijze haar dood tegemoet sprong, begon rond de May Day Riots van 1919. Toen de politie inreed op de gedemobiliseerde plattelandsjongens die in Madison Square naar de sprekers stonden te kijken, was dat een maatregel die de intelligentere jonge mannen wel moest vervreemden van de heersende orde.’

Dat ‘vervreemden’ nam – zeker in Fitzgeralds kringen – de vorm aan van onthechting en hedonisme. Na de Eerste Wereldoorlog was het tijd voor een borrel, niet voor politiek. In Een dag in mei passeert een eclectische cast van figuren de revue: een stijlvol society-meisje, haar aan lager wal geraakte ex-geliefde, twee gedemobiliseerde, volkse soldaten, een journalist en bolsjewiek, en diverse leden van het Yale-broederschap Gamma-Psi. Zo creëert Fitzgerald contrapunten van sociale klassen.

Het is qua vorm een opvallend modern verhaal, al verraadt het stilistisch zijn gevorderde leeftijd. Fitzgerald toont hier nog niet de moeiteloze en tijdloze brille van Gatsby. Maar de pagina’s bruisen wel van de energie. Bovendien is het – iets wat door de opgenomen essays versterkt wordt – een krachtig portret van Amerika aan de vooravond van wat Fitzgerald ‘de duurste orgie uit de geschiedenis’ noemt.

Van der Kwast schrijft dat het vooral de romantiek van Fitzgeralds verhalen is, die hem bij de selectie heeft geleid. Hij ontdekte de schrijver toen hij in Italië bij een gravin in huis woonde – in retraite om zijn debuutroman te schrijven, maar eigenlijk om te vluchten. ‘Ik wilde nooit meer in dezelfde stad zijn waar het mooiste meisje ter wereld mij de bons had gegeven.’ Zijn ontvankelijkheid voor de tragische liefdes waarin Fitzgerald uitblonk – op papier en in het echt – valt te begrijpen.

Toch zou ik de twee sterkste verhalen uit De rijke jongen nauwelijks romantisch willen noemen. Het titelverhaal begint met de fameuze zinsnede: ‘Begin met een individu, en voor je het weet ontdek je dat je een typetje hebt geschapen; begin met een typetje, en je ontdekt dat wat je geschapen hebt is... niets.’ (Ik teken hierbij aan dat het Engels origineel wat soepeler is.)

Dit is het begin van een verhaal over de Bildung van Anson Hunter. ‘Anson accepteerde zonder reserve de wereld van de top van het geldwezen en de extravagantie,’ schrijft Fitzgerald, ‘van scheiding en verkwisting, van snobisme en privilege.’ Waar het de auteur om te doen is, is niet alleen de wereld van superrijken bloot te leggen – in alle pracht en praal – maar ook te porren in de open zenuw: het morele en emotionele bankroet. (Een nog altijd urgent thema, lijkt me.)

Buitenstaander

De thematiek vertelt ons iets over de schrijver dat van belang is. Fitzgerald kwam zelf niet uit kringen van geld. Hij was een jongen uit de Midwest, die zich, deels gehersenspoeld door zijn zeer ambitieuze moeder, had voorgenomen toe te treden tot de welgestelde klasse. Dat is hem, door het financiële succes van zijn verhalen, tot op zekere hoogte gelukt.

Maar, zoals dat gaat, hij bleef een bezoeker, een halve buitenstaander, en dus: de ideale verslaggever. (In De rijke jongen schrijft hij: ‘Laat me je iets vertellen over de uitzonderlijk rijken. Ze zijn anders dan jij en ik.’) Tegelijk maakt Fitzgeralds complexe verhouding met geld – lang niet gehad, altijd geambieerd, veel te kwistig mee, altijd tekort aan, volledig door gepreoccupeerd en zich bewust van de prijs daarvan – hem tot de ideale schrijver om de boom en bust te vangen.

Van al Fitzgeralds verhalen is ‘Terugkeer naar Babylon’ (opgenomen in De rijke jongen) wat mij betreft het sterkste. Het speelt na de crash van ’29, in een Parijs dat opeens niet meer het speelterrein van expats is. ‘Het stelde hem niet echt teleur, te zien dat Parijs zo verlaten was. Maar de stilte in de Ritz-bar was vreemd en onheilspellend. Het was geen Amerikaanse bar meer – hij bemerkte dat hij zich beleefd gedroeg en niet alsof hij de eigenaar was. Het was weer een Franse bar geworden.’

In dit decor komt Charlie Wales naar het huis van zijn schoonzus, die na de dood van Charlie’s vrouw de voogdij over Wales’ dochter Honoria heeft gekregen. Wales verloor de voogdij door de levensstijl die het echtpaar er op nahield. Zij wáren de roaring twenties, beschonken en volkomen ongeremd. Inmiddels is Charlie van de drank af en hoopt hij zijn dochter terug te krijgen. Maar geesten uit het verleden dreigen die ambitie te torpederen.

‘Terugkeer naar Babylon’ heeft de onderliggende tragiek die Fitzgeralds beste werk kleurt. Het is een van zijn persoonlijkste verhalen. Tijdens Zelda’s langdurige opnames, lukte het ook Fitzgerald vaak niet voor zijn dochter Scottie te zorgen. Scottie is het stille slachtoffer in het levensverhaal van Scott en Zelda: ze groeide op in vele huizen en bij diverse gezinnen.

Zoals gezegd is de essentie van Fitzgeralds oeuvre te vinden in zijn romans. Daarvan was hij zichzelf ook akelig bewust. De verhalen waren secundair, en vaak voelde hij zich schuldig dat hij – voor het geld – zoveel tijd met verhalen verknoeide. In 1929 schreef hij zijn redacteur Maxwell Perkins dat hij eigenlijk maar vier van zijn vele verhalen uit het voorgaande decennium echt literaire kwaliteit vond hebben: ‘May Day’, ‘The Rich Boy’, ‘The Diamond as Big As The Ritz’ en ‘The Curious Case of Benjamin Button’. ‘Al het andere recente werk,’ schreef hij, ‘heeft een zekere populaire draai gekregen, ook al is het soms behoorlijk goed.’ In latere brieven rekende hij ook ‘Terug naar Babylon’ tot het beste dat hij schreef.

Wie Fitzgeralds verhalen wil leren kennen, is geholpen bij uitgaven die het vele kaf van het schaarse koren scheiden. Dat hebben deze twee, elk op een eigen manier, gedaan.