Column

Abercrombie

De Amerikaanse modeketen Abercrombie & Fitch verkoopt zoals bekend spijkerbroeken en shirtjes die, gedrenkt in pubergeilheid en gedragen door adembenemende verkopers, in Europa nog doorgaan voor cool. Zelfs Utrecht krijgt binnenkort een vestiging van dochterbedrijf Hollister. Je ziet hier tegenwoordig ook al elfjarige zoontjes van hoogopgeleide ouders rondlopen in T-shirts waarop, liefst groot, ‘Abercrombie’ staat.

Enigszins geletterde Amerikanen weten al jaren dat de hoogste baas van Abercrombie & Fitch een halve gare is. CEO Mike Jeffries (68) liet zich cosmetisch ombouwen tot een blonde, rimpelloze freak met Angelina Jolie-lippen. Hij parkeert zijn Porsche iedere dag op exact dezelfde manier schuin op zijn parkeerplaats, loopt altijd twee keer door een draaideur, durft werknemers nooit in te halen op een trap en leest zijn financiële verslagen alleen als hij zijn geluksschoenen draagt. En dat waren dan nog de leukere details uit een portret dat al vijf jaar geleden in internetmagazine Salon verscheen over deze „Willie Wonka van de mode-industrie”.

Jeffries minder onschuldige uitspraken uit datzelfde stuk leidden de afgelopen dagen opeens wereldwijd tot woedende reacties. Dit nadat de website Business Insider ze nog eens citeerde bij het bericht dat Abercrombie weigert om maten voor dikke vrouwen te verkopen. Jeffries vertelde Salon uitvoerig waarom Abercrombie alleen aan de „cool kids” verkoopt: „Veel mensen horen niet thuis (in onze kleren) en ze kunnen er ook niet thuishoren.”

Logisch: Abercrombie verkocht wél T-shirts voor meisjes met de tekst ‘Do I make you look fat’? Tegen Salon grijnsde Jeffries dat zijn bedrijf een „moreel comité” heeft om dit soort teksten uit te bannen, „maar soms zijn ze daar met vakantie”. Iedere klacht over zulke zaken maakt zijn merk immers populairder bij pubers, weet hij. De moraalpolitie is de sleutel tot het succes van Abercrombie. En welk gewild modemerk verkoopt trouwens géén idee van onbereikbare schoonheid en seks?

Waar je deze week dan weer veel minder over hoort, is dat Abercrombie in 2010 werd toegevoegd aan de ‘Sweatshop Hall of Shame’ van The International Labor Rights Forum (ILRF) in Washington. Dat jaar stierven bij een brand 28 werknemers van een kledingfabriek in Bangladesh die leverde aan Abercrombie. Eerder had Abercrombie werknemers verboden zich te organiseren in een vakbond en kleding laten naaien van katoen die door kinderen was geplukt in Oezbekistan.

Eind vorig jaar stond Abercrombie bij het ILRF nog altijd op de lijst van merken die ondanks eerdere toezeggingen nauwelijks iets deden aan het verbeteren van de veiligheid in gevaarlijke naaiateliers. „Het wordt tijd”, concludeerde het ILRF toen, „om het leven van werknemers belangrijker te vinden dan het imago van een merk”.

Wat natuurlijk ook geldt voor consumenten. Of ze nu dun zijn of dik.

Margriet Oostveen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Arjen van Veelen.