Wiels wilde uitleggen en opvoeden

Wie was Helmin Wiels? Kort voor zijn dood sprak hij met Margriet Marbus over zijn jeugd en over zijn Curaçao. „De kinderen in onze wijken werden opgevoed met commando’s.”

„Ik ging nadenken. Waarom is de blanke altijd rijk en wonen wij vaak in kleine huizen?” Foto ANP

De familie van Helmin Wiels komt van het allerachterste puntje van Bandabou, Westpunt, waar de naar zwavel stinkende rook van de oude raffinaderij geen vat op het land meer heeft. En waar de overgrootmoeder van de vermoorde politicus op de plantage van landhuis Kenepa (Knip) in 1863 nog net als slavin geboren werd. Datzelfde jaar werd de slavernij afgeschaft maar de verhalen uit die tijd worden binnen de familie nog steeds van generatie op generatie verteld. Verhalen waarin de blanke shon tegenover de zwarte slaaf stond. Verhalen van ongelijkheid en onderdrukking. Verhalen van wanhoop en frustratie. Verhalen ook die Helmin Wiels vormden tot wie hij werd: een bevlogen politicus die ‘zijn volk’ wilde leiden op de weg naar onafhankelijkheid.

Curaçao is in tweeën op te splitsen: Bandabou en Bandariba, laagland en hoogland. Die termen slaan niet op het landschap, maar op de mensen. Op Bandariba wonen de hogere klassen en welvarender mensen – en vroeger de gouverneur, zijn manschappen en de kooplieden. De eenvoudige Curaçaoënaars wonen op Bandabou, het achterland dat begint bij Weg naar Westpunt op de rotonde bij de rommelige, schimmige volkswijk Souax. De rook van de Isla, zoals de verouderde voormalige Shell-raffinaderij in de volksmond heet, waait met de passaat ook de kant van Bandabou op.

„Elke avond vertelde mijn grootmoeder, die niet kon lezen of schrijven, ons verhalen”, vertelt Wiels tijdens een gesprek enkele dagen voor zijn dood. „Bizarre verhalen waar wij kinderen wel van griezelden. Hoe de shons – de slavenhouders – de slaven behandelden. Over slaan met een bullepees en straffen met kettingen om enkels. Dat je de blanke niet in het gezicht mocht zien. Dat de Bijbel voor slaven verboden was. Dat slaven niet mochten trouwen. Er was op Kenepa trouwens wel een soort van huwelijksceremonie onder elkaar. Twee slaven moesten over een bezem springen. Dan waren ze getrouwd. Maar niet voor de wet. Mannen waren fokkers. Alleen bedoeld om zoveel mogelijk kinderen bij zoveel mogelijk vrouwen te verwekken. Slaven werden als dieren beschouwd. Op de veiling van Punda werden ze per kilo verkocht. Als kind besef je niet wat dat betekent. Maar toen ik opgroeide in de jaren 60 en 70 en ging nadenken, wist ik: dit is mensonwaardig. Ik denk nu ook wel eens: in hoeverre heeft dit de mensen gevormd? Dat zij bijvoorbeeld zoveel corruptie maar voor lief nemen. Dat er bij sommigen zoveel woede is in hun hart terwijl ze niet weten waar het vandaan komt. Die zware gevoelens, zoals ik ze noem, stammen uit de slavenperiode. Maar ik hou van de oude verhalen. Nog steeds.”

Ik ben op het eiland om Helmin Wiels te interviewen voor een in juni te verschijnen portret in Esquire. Hij wil me alleen te woord staan omdat ik onlangs voor hetzelfde blad de Ghanese oud-president Jerry Rawlings interviewde, die hij bewondert.

„Iemand voor wie ik heel veel respect heb”, zegt Wiels. „Ook een leider die de strijd met de corruptie aanbond. Hij heeft daar zware offers voor gebracht. Hij is meermalen bijna vermoord. Ik heb hetzelfde doel als deze man. Het wegvagen van de corruptie op dit eiland. De regels moeten weer gerespecteerd. Wij politici zijn er om voor het volk te zorgen en niet voor onszelf.”

Wiels vader was een man die de regels respecteerde. Een agent. Een strenge opvoeder voor wie de kinderen diep ontzag hadden. „In mijn vaders tijd mochten Antillianen nog geen hoge rang hebben”, zegt Helmin Wiels. „Hoge rangen waren weggelegd voor de Nederlanders. Mijn vader en opa, die ook politieman was en ook van Westpunt is, konden dus niet klimmen op de ladder. Maar als kinderen van een politieman hadden we een voorbeeldfunctie. Geen grote monden bij ons thuis. Dronken zijn? Roken? We zouden niet durven. En drugs, nee zeker, zéker niet!”

Toen Helmin zes jaar was, verhuisde het gezin naar Steenrijk in Bandariba. Anders dan de naam doet vermoeden, is Steenrijk een eenvoudige volkswijk. In de kleine woning was het met acht kinderen passen en meten. Wiels: „Ik sliep met mijn drie broers op een kamer. We hadden een televisie waarop we Kojak zagen. Starsky and Hutch, Columbo. Dat waren onze helden. We drongen om het beeldscherm. Ja, met zoveel kinderen leer je wel delen.” Bandariba bracht reuring voor de jonge Helmin Wiels. De onvrede van de Curaçaoënaars, de opstand van 1969, hij zag het van dichtbij en het maakte grote indruk.

„Ik ging nadenken. Waarom is de blanke altijd rijk en wonen wij vaak in kleine huizen? Waarom heeft Jezus blond haar en blauwe ogen?”

Het sociaal werk trok de jonge Helmin Wiels. Na de middelbare school ging hij studeren. Op Curaçao. Want naar Nederland wilde hij niet. „Ik wilde op mijn eiland blijven, iets voor de mensen hier doen.” Hij ging hij als maatschappelijk werker aan de slag in de armste wijken van het eiland. Buurten onder de rook van de raffinaderij. „Ik zag de ellende, de armoede daar. Ik zag ook de makamba’s in hun compounds van Shell. De ongelijkheid tussen die twee groepen. Ik dacht: dit is niet goed.” Behalve het verschil tussen de Nederlanders en de Curaçaoënaars, zag Wiels ook de manier van opvoeden in de wijken van dichtbij. „De kinderen in onze wijken werden opgevoed met commando’s. Er was geen dialoog. Geen onderhandeling. Ik dacht: dit is een rechtstreeks gevolg van ons slavenverleden. Gecommandeerd worden en commanderen, van generatie op generatie. Projectie. Ik dacht: deze spiraal moet doorbroken.”

Wiels werd 26 jaar geleden vader. „Met mijn eigen kinderen heb ik van jongs af aan onderhandeld. Uitleggen, uitleggen, uitleggen. Oké, ik heb als vader het laatste woord maar ik moet het wel allemaal uitleggen.” Hetzelfde doet Wiels met zijn volk, zegt hij. „Uitleggen: inderdaad. Taboes en stigma’s moeten doorbroken. Ook in de gezinnen. Ik ben bijvoorbeeld bij de bevalling van mijn twee kinderen geweest. Later ging ik mee naar het consultatiebureau. Of ik ging alleen. De meeste vrouwen daar dachten dat ik homoseksueel was omdat ik daar met mijn mandje met de baby verscheen. Ik heb ze uit moeten leggen dat het zo hoorde, dat een man mee ging.” Maar dat hij een ander soort vader was dan de meesten op Curaçao, bewees hij vooral na zijn scheiding.

„Mijn ex-vrouw ging toen naar Nederland. Ik hield wel een goed contact met haar. Maar de kinderen bleven bij mij. Ik heb ze opgevoed. Met een hoop ruimte. Maar ook met gelijkheid. Hier op Curaçao is het vaak zo dat een dochter moet helpen in huis, alles moet doen, en de zoon hoeft niets. Bij mij moesten ze allebei helpen. Wat betreft hun opleiding, dat moesten ze zelf maar kiezen. Als ze maar gelukkig zijn en later zelf hun brood kunnen verdienen, dacht ik.” Dat lijkt goed gelukt. Wiels’ dochter van 26 studeert economie aan de UvA en zijn zoon van 24 sociale pedagogiek aan de Hogeschool van Amsterdam. „Net als ik, ja. Of ze trots op me zijn? Ja. Ze zijn trots op me.”

Zijn kinderen komen er wel, maar met Curaçao, zíjn eiland, moet nog veel gebeuren.

„Niet veel maar héél veel. Kijk, ik heb voor de klas gestaan. Ik ben in de wijken geweest. Ik ken mijn volk. Ik weet wat het voelt. Ik ben zelf vanaf 2004 politiek actief maar daarvoor deed ik al veel voor de mensen. Ik heb veel politieke partijen geholpen om te zien wat er in de wijken moest gebeuren. Wijken waarin onze mensen vaak de hoop niet meer hadden dat politici iets voor ze zouden doen. Dat politici voor de mensen staan. Die hoop wil ik ze weer geven.”

Waar je vooral voor moet uitkijken, is macht, zegt hij. „Macht is ellende”, weet hij. „Het lijkt zo mooi in het begin, maar zo is het ook met drugs. Want als je niet uitkijkt, word je omringd met parasieten. Mensen praten je naar de mond. Wat zeg ik? Ze praten je naar je moer. Dat je een held bent. Dat je de beste van de klas bent. Dat je ervoor geboren bent. Op een gegeven moment begin je te geloven dat je zo echt bent.”

Curaçao moet over tien jaar onafhankelijk zijn. „Mijn kiezers zijn niet dom. Ze weten dat er eerst gebouwd moet worden. We maken de economie sterker. Dan worden we onafhankelijk.” Maar, zegt hij dan, er moet ook nog iets anders gebeuren. Iets wat belangrijker is dan een sterke economie. „De corruptie moet eruit op Curaçao.”