‘Soccer’ raakt de liefde kwijt

In Amerika was voetbal vrede, heel lang. Pieter van Os, die als amateur enkele jaren in de VS voetbalde, betreurt de recente ‘normalisering’.

Een Amerikaanse tiener kreeg een gele kaart en gaf daarop de scheidsrechter, de 46-jarige Ricardo Portillo, een dreun in het gezicht. Afgelopen weekeinde overleed Portillo, zeven dagen na de wedstrijd.

In Nederland weten we hoe dat is. Maar Portillo was een Amerikaan, uit Salt Lake City. En in de VS heeft voetbal een andere maatschappelijke betekenis en geschiedenis. De chef sport van The New York Times wist herkomst en connotie eens helder te vangen in een opmerking tegen een stagiair: „Geen tijd verspillen aan voetbal jongen, soccer is een spel voor commie pansies”. Ofwel, voetbal is voor linkse mietjes. En voor vrouwen.

Eerst dat linkse. In de jaren zeventig werd de sport ontdekt door sympathisanten van de tegencultuur. Ze hadden genoeg van het militaristische ‘football’ waarin jongens tegen elkaar inbeuken. Baseball, die andere nationale sport, vonden ze riskant voor de psychische ontwikkeling van hun kind: zo helemaal alleen op een heuvel.

Voetbal was anders, want nieuw en on-Amerikaans. De eerste serieuze profcompetitie in de VS kwam niet voor niets in de jaren zeventig van de grond, en was een bijna volledig buitenlandse affaire, met Braziliaan Pelé en, later, Johan Cruijff. Toen Pele afscheid nam, liet hij een vol stadion drie keer Love brullen. En toen Cruijff in 1980 naar Washington DC werd gehaald jubelde de teammanager over hoe „zo’n spichtig klein mannetje” kon uitgroeien tot een wereldwijde sportvedette – een geweldig voorbeeld voor kleine jongetjes. Cruijff zelf vond het prachtig in Amerika, maar kon slecht wennen aan jeugdcompetities die weigerden de score bij te houden: het moest toch een spelletje blijven.

On-Amerikaans, zeggen vooral republikeinse politici. Een van hen, Jack Kemp, zei in het congres dat „in het belang van de jeugd” onderscheid moet worden gemaakt tussen sporten „waarin je de bal in de handen mag nemen” en soccer. De eerste zijn „democratisch en kapitalistisch”, de tweede „socialistisch” en „Europees”. Het is een breed gedeelde mening.

Nu dat tweede, sport voor ‘mietjes’. Het klinkt als zinledig scheldwoord van een homofobe gymleraar, maar dat is het niet alleen. Noord-Amerika is wellicht het enige continent waar profvoetballers openlijk voor hun homoseksualiteit uitkomen. In de indoorcompetitie bestaat een Soccer Gay Day en in het amateurvoetbal zijn er clubs die volledig bestaan uit homo’s, zoals de Hotlanta Soccer Club in Atlanta. Amerika domineert het voetbal bij de Gay Games.

Met softe voetballers is geen oorlog te winnen, aldus critici. Maar ze leveren ook geen krantenkoppen vol geweld, zeggen de fans. Vrouwelijke speelsters die aan haren trekken en knietjes geven, hebben dat beeld de laatste tijd al geschaad. De dood van Portillo doet de rest.

Toch is er een maar. Dader en slachtoffer zijn ‘latino’; ze speelden in een competitie van en door Amerikanen met een Zuid-Amerikaanse achtergrond. Die behoren meer tot de mondiale voetbalcultuur dan tot de ‘Sushi-eating, Latte-Drinking, Volvo-Driving, Hollywood-Loving’ buitenwijkvoetballers waar republikeinen graag de pijlen op richten. Wijzen voetballiefhebbers in de VS daarop? Nee. En zo tonen ze toch nog iets van hun beschaving.