Obese tieners hopen op het paradijs in sluitstuk trilogie

Op obesitaskamp in Paradies: Hoffnung

Paradies: Hoffnung. Regie: Ulrich Seidl. Met: Melanie Lenz, Verena Lehbauer, Joseph Lorenz. In: 10 bioscopen.

Die vrouw die bij Keniaanse beach boys op zoek is naar lichamelijke liefde, dat is dus haar moeder. En die godsdienstwaanzinnige dame die een sm-relatie met Jezus onderhoudt, dat is haar tante. We leerden ze kennen in de twee eerdere delen van Ulrich Seidls Paradies-trilogie. Na Teresa in Liebe en Anna Maria uit Glaube is het nu de beurt aan Melanie, de obese tiener die de hoofdrol heeft in Hoffnung. Al is het lastig te bedenken wat zwaarlijvigheid met hoop te maken heeft, anders dan dat Melanie jong is en nog kan hopen dat geloof en liefde haar eens ten deel vallen.

De Oostenrijkse provocateur Ulrich Seidl heeft het afgelopen jaar een huzarenstukje verricht. Drie films maakte hij (ze waren ooit als één bedoeld), die achtereenvolgens op de festivals van Cannes, Venetië en Berlijn in première gingen. Drie films. Drie vrouwenlevens. Drie grote thema’s die knipogen of buigen naar bijbelse en danteske motieven – of het ernst is, aanklacht of pesterij, dat is bij Seidl nooit helemaal zeker. Veel van zijn werk plaatst de toeschouwer oog in oog met zijn eigen onbehagen, het verwijt van exploitatie is daarom nooit ver weg. Dat wordt nog versterkt door de rigide kaders en documentaire stijl. Alles wat gebeurt, balanceert op de grens van wat wij denken dat echt is. De films van Ulrich Seidl zijn fascinerend ongemakkelijk.

In Hoffnung ligt het nog ingewikkelder dan in de eerste delen uit de trilogie. Daar betrof het immers volwassenen en vaak geschoolde acteurs. Maar wat moeten we denken van de dikke tieners die op een zomerkamp van hun extra kilo’s af moeten zien te komen? We zien ze door die symmetrische kaders voorbij joggen en hupsen als koddige kuikentjes in een sprookjesboek. We volgen ze tot onder de stapelbedden, waar ze drinken en dromen (en stiekem schransen). Het is geen moment anders dan in een willekeurige tienerfilm, maar in hoeverre zijn de jonge spelers in de film zich bewust van het effect van hun fysiek en hun performance?

Dit soort vragen zegt waarschijnlijk meer over de toeschouwer dan over de film. Tegelijkertijd is het makkelijker om je met onzekere tieners te identificeren dan met neokoloniaal sekstoerisme of religieuze extase. Om die reden is Hoffnung de meest toegankelijke en empathische van de drie films. Maar wat moeten we met het seksuele ontwaken van Melanie? En met die plotselinge crush op de kampdokter? Omdat de film zich ook nog eens in de Neder-Oostenrijkse sp(r)ookjesbossen van Kirchberg am Wechsel afspeelt, kunnen we gerust het woord ‘unheimlich’ voor deze mix van Grimm en Lolita gebruiken.

Bij de Paradies-trilogie gaat het om de reacties van de kijker. Wat vind ík hiervan? Wat zegt dat over mij? Dat zijn terugkerende vragen in Seidls werk. Het is tamelijk makkelijk om een afstand te creëren tot de mensen die hij portretteert: eenzame zielen die door de eisen van de consumptiemaatschappij ver van zichzelf zijn afgedwaald. Nee, zo zijn wij niet. Wij zijn beter. Beschaafder. Beheerster.

Lang heeft Seidl door middel van filmische shocktherapie zijn toeschouwers wakker willen schudden. In de Paradies-trilogie plaatst hij daar empathie naast. Dat maakt het nog verwarrender. Maar wakker schudden moet. We zijn niet zo heel veel anders dan Teresa en Anna Maria en Melanie in hun zoektocht naar het paradijs. Ook onze lichamen zijn onhandige vehikels voor onze dromen. We vallen allemaal ten prooi aan wetten van vraag en aanbod, aan ideaalbeelden, aan de wijze waarop de markt hoop, geloof en liefde heeft geannexeerd. Seidls kritiek is ouderwets, standvastig en noodzakelijk. Maar hij overtuigt en beroert door de artistieke vorm die hij daarvoor vindt.