Lees jij Niet-chah?

Rutger Lemm leest ‘Voorbij Goed en Kwaad’ van Friedrich Nietzsche en ontdekt dat de oude filosoof ons troost biedt in warrige tijden. ‘Ik herkende mezelf.’

In de film Little Miss Sunshine uit 2006 weigert de zoon des huizes nog langer te praten. Als zijn depressieve oom en Proust-kenner Frank (gespeeld door Steve Carrell) vraagt waarom, wijst hij op een poster van een man met een borstelsnor. Niemand kan zo goed spottend kijken als Steve Carrell. „Is that Nietzsche?” zegt hij, of eigenlijk meer: „Is that Niet-chah? You don’t speak because of Friedrich Niet-chah? Far out.”

Ik heb (een beetje) filosofie gestudeerd, maar las nooit iets van de filosoof met de hamer. Toen ik Voorbij Goed en Kwaad van Nietzsche (1844-1900) op een boekenmarktje vond, besloot ik het te kopen, en tijdens mijn laatste vakantie besloot ik zelfs om het te lezen. Terwijl ik erin bezig was, hoorde ik de hele tijd Carrells sarcasme in mijn hoofd. Het is inderdaad heel pretentieus om met een filosofiewerk uit 1885 in de Coffee Company te gaan zitten, maar dan ook nog Niet-chah? Doe dan Foucault, veel hipper, of iets echt obscuurs van Leibniz.

Het boekje leest als een lange tirade van een hyperintelligente conferencier, waarbij de sneren naar Socrates, Plato, Descartes en Kant een ingewijde besmuikt doen gniffelen. In 296 kleine tekstjes (een beetje als Grunbergs Voetnoten uit de Volkskrant) haalt hij alle zekerheden van de negentiende eeuw overhoop. Nietzsche wil voorbij de christelijke tweedeling van goed en kwaad denken: volgens hem is zo’n simpele opdeling een illusie. Eigenlijk is elke waarheid een illusie, omdat de blik van de waarheidsspreker zijn wereldbeeld bepaalt. Alles is dus subjectief. Ik herkende de basis van het postmoderne denken, waarbij elke uitspraak direct gerelativeerd wordt. Ik herkende mezelf.

Wij zijn opgegroeid met Nietzsches gevoel voor ironie, maar de twintigste eeuw heeft zich ook niet definitief ontdaan van Nietzsches vijanden: het christendom en de Verlichting. In ons woekert zijn oude strijd nog immer voort. We willen geloven in een burgerlijke moraal en dat kennis vooruitgang brengt, maar tegelijkertijd relativeren we die waarden en onszelf voortdurend: „Ik wil de wereld verbeteren, maar wie ben ik nou helemaal?” We durven niets zeker te weten. We geloven in de kracht van de samenleving, maar willen tegelijk individuen zijn. We maken rationele afwegingen, maar gaan kapot aan keuzestress. We hebben de grootste vrijheid en de grootste welvaart bereikt. En toch zijn we ongelukkig. Of zoals Nietzsche zelf zegt: ‘Onder vreedzame omstandigheden mishandelt de oorlogszuchtige mens zichzelf.’

Nietzsche moedigt ons aan

Nietzsche lijkt zich bewust te zijn van zijn invloed op komende generaties en spreekt filosofen van de toekomst vaak direct aan. Hij moedigt ons aan om door te zetten. Het voelt goed om de standpunten waarmee je zo bekend bent, op felle wijze door de meester zelf verdedigd te zien worden. Het helpt om je innerlijke strijd en eeuwige twijfel op te lossen, al is het maar tijdelijk.

Ten eerste relativeert Nietzsche zijn eigen relativisme. Natuurlijk, zegt hij, zijn subjectivistische visie zal ons niet onberoerd laten. ‘Bij de nieuwe generatie (…) is alles onrust, storing, twijfel, poging; (…) in lichaam en ziel ontbreken evenwicht, zwaarte, stabiliteit.’ Dat is goed, want volgens Nietzsche hebben we een ‘plicht tot wantrouwen’. Maar ‘ter instandhouding van ons soort wezens’ is het nodig dat we tijdelijk in oordelen geloven. Kies dus gewoon een studie of een baan, met overtuiging, als je maar blijft openstaan voor de mogelijkheid dat je toch beter iets anders kan doen. Het zijn immers ‘overtuigingen op weg naar zelfkennis’.

De zichtbare intentie zegt niet zoveel over een bewering, aldus Nietzsche: ‘Iedere huid verraadt iets, maar verbergt nog meer.’ Het is interessanter om te kijken wat er onder een uitspraak schuilt: de ware intentie. Zoals de scène in de film Annie Hall (1977) waarin Alvy (Woody Allen) en Annie (Diane Keaton) een gesprek op een balkon hebben en de ondertiteling vertelt wat ze eigenlijk willen zeggen. Als Alvy zegt dat Annie’s foto’s mooi zijn, bedoelt hij dat hij haar mooi vindt. Als zij antwoordt op een esthetische theorie, hoopt ze dat hij niet zo’n sukkel is als alle anderen. Of zoals in de roman Leaving The Atocha Station (2012) van Ben Lerner, waarin een Amerikaan in Madrid worstelt met de taal en overal dubbele betekenissen in ziet. Hij maakt gebruik van zijn gebrekkige Spaans door zich te presenteren als een geniale intellectueel die zich uit in poëtische vaagheden.

Wees speels

Nietzsche zegt: ‘Veel over jezelf praten, kan ook een manier zijn om jezelf te verbergen.’ Wanneer we iets over het leven willen leren, moeten we volgens hem kijken naar grappen (niets is zo erg als de ernst van moralisten), dromen, psychologie en kunst. De (oude) films van Woody Allen en romans als Leaving The Atocha Station, dus. Als de hele wereld een fictie is, vind je antwoorden in goed uitgedachte ficties.

We moeten steeds diepgang bij onszelf zoeken. We moeten onafhankelijk zijn en nooit met de massa meelopen, want ‘wat gemeenschappelijk kan zijn, heeft nooit veel waarde’. Maar Nietzsche heeft ook begrip voor de pijn en eenzaamheid die een kritische, onafhankelijke houding met zich meebrengt. ‘Wie diep in de wereld heeft gezien, raadt direct hoe wijs het eigenlijk is dat de mensen oppervlakkig zijn.’ Toch waarschuwt hij ons weg te blijven van de ‘nivelleerders’: ‘Wat zij uit alle macht willen nastreven, is het algemene geluk van de groene weide voor de kudde, met zekerheid, ongevaarlijkheid, welbehagen, veraangenaming van het leven voor iedereen.’ Oftewel: je beperkt jezelf tot dom schapengedrag. ‘Overal waar de slavenmoraal veld wint, vertoont de taal de neiging om de woorden ‘goed’ en ‘dom’ tot elkaar te laten naderen.’

Hoewel Nietzsche erkent dat ‘iedere diepe geest’ behoefte heeft aan ‘een masker’, benadrukt hij dat eerlijkheid de grootste deugd van de nieuwe filosofen is. Achter het ‘doen alsof’ voelt de geest zich veilig, net als bij domheid, maar ook tegen deze verleiding moeten we ons verzetten. Een ‘moedige denker’ beseft: ‘Er is iets wreeds aan de neiging van mijn geest.’ Het is moeilijk, fluistert Nietzsche, maar hou vol.

Wees speels: ‘Rijpheid van de man, dat is de ernst te hebben teruggevonden die je als kind bij het spelen had.’ Neem een voorbeeld aan kunstenaars die zich laten gaan. Zoek ‘iets wat transfigureert, iets geraffineerds, iets geks, iets goddelijks’. Ten slotte erkent Nietzsche dat alle onzekerheid die je voelt misschien ook gewoon bij de levensfase van de jongvolwassenheid hoort. Deze onderstaande passage las ik geestdriftig voor aan mijn vriendin terwijl we met al onze bagage naar de gate renden:

‘Het boze en eerbiedige van de jeugd schijnt zich geen rust te gunnen vóór het de mensen en de dingen zozeer heeft vervalst dat het zich er op kan uitleven – jeugd is op zichzelf al iets vervalsends en bedrieglijks. Later, als de jonge ziel, door louter teleurstellingen gemarteld, zich eindelijk argwanend tegen zichzelf keert, nog altijd vurig en wild, ook in haar argwaan en gewetenswroeging: hoe kwaad maakt zij zich dan, zij verscheurt zichzelf van ongeduld, zij neemt wraak voor haar lange zelfverblinding alsof deze vrijwillig was gekozen! In deze overgangsfase straf je jezelf door je gevoel te wantrouwen; je foltert je enthousiasme door twijfel, je voelt zelfs een goed geweten al als een gevaar, als een vermoeide flattering van de subtielere eerlijkheid; en vooral kies je partij, principieel partij tegen de jeugd. Tien jaar later: en je begrijpt dat dit alles nog jeugd was!’

Nietzsche biedt troost. Maar u snapt nu ook dat dat uiteindelijk slechts míjn mening is.

    • Rutger Lemm