‘La traviata’ stelt teleur in reprise met Poplavskaya

La traviata van G. Verdi door De Ned. Opera o.l.v. Giuseppe Carella. Gezien 6/5 Muziektheater, A’dam. T/m 31/5.

Een stationsklok waarop de tijd wegtikt – dat is het centrale beeld van de smaakvolle, in details gloriërende La traviata waarmee regisseur Willy Decker in 2009 opzien baarde bij De Nederlandse Opera en in 2005 al op de Salzburger Festspiele. Dat maakt het even goed als logisch dat juist deze productie wordt hernomen in een muziekjaar dat aan de viering van die andere 19de-eeuwse operamastodont, Wagner, veelal meer aandacht besteedt. Maar de reprise slaagt er niet in de herinnering te evenaren.

Vooropgesteld: deze Traviata is een theatraal schoolvoorbeeld van minimalistische veelzeggendheid. Wat heb je nodig om de gedoemde liefde tussen courtisane Violetta en Alfredo te tonen? Niet meer dan een kil, halfrond mausoleum (dat overigens wel rare akoestische vervormingen geeft) en wat banken om op te minnekozen, rond te hopsen of vertwijfeld ineen te zijgen. Alle grote emoties kun je beleven op de bank. Totdat Dokter Dood toeslaat en Violetta sterft.

Bij Deckers uitgebeende eenvoud moet het gevoel vooral komen van de zangers en uit de bak, en daar wringt het. Ismael Jordi zingt geweldig en is met zijn geslagen motoriek een geloofwaardige Alfredo. Dimitris Tiliakos (de oude Germont) beschikt over zoveel vocaal reliëf dat je hem (bijna) zijn jeugd vergeeft. Naast het uitstekend operakoor en Karin Strobos (fraaie Flora) zou Marina Poplavskaya (Violetta) het hart van de voorstelling moeten zijn, zoals ze dat in 2009 was. Maar haar timbre, nog wel steeds groot en gemakkelijk, heeft een wapper gekregen die maakt dat met het verlies van nuance en kleur ook alle leed zo van je afglijdt. De Radio Kamerfilharmonie onder de tot scherp schakelen manende Carella laat meer dan eens een wig ontstaan tussen bak en bühne en mist zo de finesse om te roeren. Alles is detail.