Column

Hannah Arendt

Hannah Arendt, de speelfilm van Margarethe von Trotta, boeide me meer dan ik op grond van de nogal lauwe recensies had verwacht. Het is een goed gemaakte film die je in verwarring achterlaat. Wat moet je van Arendt denken? Had ze gelijk of moeten we haar verbeten tegenstanders geloven?

Een scène die me bij zal blijven, is die waarin Hannah tegen het einde in Israël op bezoek gaat bij haar stervende mentor, Kurt Blumenfeld. Hij had gehoord wat ze in The New Yorker over het Eichmann-proces had geschreven en was ontgoocheld. De verzoening mislukt, hij draait haar voorgoed de rug toe. Zó is het ook in werkelijkheid gebeurt. De scène heeft een symbolische lading: Blumenfeld belichaamt de Joodse buitenwereld die zich door Arendt verraden voelt.

Thuis kon ik er niet aan ontkomen mijn Eichmann-plankje af te stoffen. Harry Mulisch, Abel Herzberg, boeken van en over Arendt, een Eichmann-biografie.

Arendt, Mulisch en Herzberg hebben gemeen dat ze het Eichmann-proces als journalist bijwoonden en beschreven. Herzbergs boek Eichmann in Jeruzalem dat kort na Mulisch’ De zaak 40/61 verscheen, is ten onrechte vergeten; het is concreter, minder filosofisch dan de andere twee boeken. De drie auteurs zaten min of meer op dezelfde lijn: voor hen was Eichmann geen monster, maar een mens, een normaal mens zelfs, die zoals zoveel normale mensen gedaan had wat de overheid hem opdroeg, in dit geval behulpzaam zijn bij het liquideren van miljoenen Joden.

Hannah Arendt, sterk gespeeld door Barbara Sukowa, zegt het ook in de film: Eichmann was niet verantwoordelijk voor zijn daden, want hij was geen denkend mens, hij gehoorzaamde slechts zijn superieuren.

Arendt, Mulisch en Herzberg leken in te stemmen met het onderdanige beeld dat Eichmann van zichzelf presenteerde. Toch waren er ook tussen hun visies verschillen. Arendt prees Mulisch’ boek, ook al meende ze – in tegenstelling tot Mulisch – dat Eichmann wél in Hitler had geloofd. Herzberg had scherpe kritiek op het boek van Mulisch. Hij stelde vast dat Eichmann de bevelen niet alleen had uitgevoerd, maar zich er ook mee had vereenzelvigd. Herzberg zag een man die was „gegrepen door de bezieling van zijn volk en zijn tijd, dronken van geestdrift om wat hij bewerkte.”

„Misschien trof Arendt toch wel het best het juiste midden”, schreef historicus Maarten van Rossem in zijn essay Eichmann in Jeruzalem.

Maar dat werd allemaal vóór 2004 geschreven, vóór de grote Eichmann-biografieën van David Cesarani en Bettina Stangneth. Zij beschrijven Eichmann als een overtuigde nazi die fanatiek zijn werk deed en daar nooit spijt van kreeg. Zij gebruiken daarbij bronnen die voor hun voorgangers niet toegankelijk waren. Cesarani vindt het onzinnig om te beweren dat er een Eichmann in ‘ons allemaal’ schuilt.

En toch keer ik telkens terug naar Herzberg, naar die huiveringwekkende passage waarin hij schrijft: „Ik heb Eichmann een ‘beest’ horen noemen, een ‘monster’, een ‘roofdier’, een ‘schurk’, een ‘afgezant van de dood’ en zo meer. Ik wou dat het waar was. Het zou heel erg zijn, maar wij zouden ons tenminste tegen hem kunnen beschermen. Maar het is, helaas, niet waar. Eichmann is een mens, en naar ik ernstig vrees, nog een gewoon mens ook. Hij woont overal in de wereld temidden van ons. Hij is een soortgenoot. En onze verantwoordelijkheid is, hem voor de rampzaligheid te behoeden, waartoe hij vervallen kan.”