De worsteling van Obama met Syrië

Eind mei houden Rusland en Amerika een topberaad over Syrië, hopend op een politieke oplossing. In de coulissen bereidt Obama zich echter voor op een gewapende oplossing.

Syrische rebellen in Aleppo bezig met wapenonderhoud in december 2012. Op het tafeltje ligt een Russische kalasjnikov Foto Reuters

Gewapend Amerikaans ingrijpen in Syrië lijkt ver weg. President Barack Obama krabbelde vorige week terug van zijn „rode lijn” voor president Bashar al-Assad. En gisteren heeft zijn minister John Kerry van Buitenlandse Zaken in Moskou met zijn Russische collega Sergej Lavrov afgesproken dat beide landen eind deze maand gezamenlijk de Syrische regering en oppositie zullen uitnodigen voor een ‘internationale conferentie’ over Syrië.

Maar achter de schermen wordt gecalculeerd en worden ook allerlei militaire scenario’s doorgesproken. De Amerikaanse regering probeert in kaart te brengen welke manieren van gewapend ingrijpen effectief zijn en ook op het minste verzet van de bevolking zullen stuiten.

Dat Obama niet stilzit, merkt de kleine groep militaire strategen, die – soms formeel, soms informeel – voortdurend wordt doorgezaagd door Obama’s medewerkers. Wat is er mogelijk? Wat zijn de risico’s? Hoe ver kunnen we gaan zonder Amerikaanse doden te riskeren?

Michael O’Hanlon, de belangrijkste Defensiespecialist van Brookings Institution, is één van hen. Deze progressieve denktank is onafhankelijk, maar onderhoudt informele banden met de regering. „Obama is met een denkproces bezig”, zegt hij. „Hij kan nog zeker drie maanden nodig hebben om informatie in te winnen.”

„Je ziet Obama’s worsteling”, zegt analist Cristopher Harmer van het Institute for the Study of War in Arlington. Ook Harmer wordt opeens veel gevraagd. Hij werkte als strateeg voor de Amerikaanse marine in het Midden-Oosten, en maakt nu risicoanalyses over Syrië voor het Pentagon en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. „Bij Obama zijn twee belangen voortdurend met elkaar in gevecht. Hij ziet dat het humanitaire drama alleen maar verergert. De slachtpartijen nemen toe, ook in relatief rustige gebieden als de kuststrook. Maar Obama weet ook dat het Amerikaanse publiek niet zit te wachten op een nieuw avontuur in het Midden-Oosten. Hij wil iets doen, maar geen partij in de burgeroorlog worden. Daar tussenin zit zijn bewegingsruimte.”

The New York Times schreef dit weekend dat Obama steeds dichterbij een beslissing komt om wapens te leveren aan de rebellen. Michael O’Hanlon en Cristopher Harmer pleitten daar allebei voor in gesprekken met de regering. Tot nu toe geeft Amerika alleen logistieke en financiële steun, onder meer omdat wapens in handen van jihadistische opstandelingen kunnen vallen. Michael O’Hanlon: „Ik zeg niet dat de rebellen de good guys zijn. Er zijn aan Al-Qaeda gelieerde jihadisten. Er zijn ook onduidelijke groepen die verdeeld zijn en onderling slaags kunnen raken. Maar we moeten de voorwaarden creëren voor een stabiel Syrië ná deze oorlog. Ten eerste moet Assad vertrekken, zo snel mogelijk. Dat kan alleen als we de rebellen veel beter bewapenen.”

De rode lijn die Obama trok bij het gebruik van chemische wapens door Assad, noemt O’Hanlon onverstandig. Het was volgens hem strategisch niet slim, want de president zette zichzelf ermee voor het blok. Toen de regering liet weten dat Assad waarschijnlijk chemische wapens gebruikt had, moest hij verwachtingen van Amerikaans ingrijpen temperen. Daarbij, zegt O’Hanlon, zijn chemische wapens een willekeurig criterium. „Er worden talloze wreedheden begaan, aan beide kanten. Dat is niet voorbehouden aan het gebruik van zenuwgas.” De vraag of het mogelijk rebellen waren die chemische wapens gebruikten, is volgens O’Hanlon daarom ook niet belangrijk voor de afweging of ze wel Amerikaanse wapens moeten krijgen.

O’Hanlon is voor het creëren van een ‘Bosnië-model’, zegt hij, waarbij het land in min of meer autonome zones wordt opgedeeld, zoals ook na de oorlog in Bosnië gebeurde. „In Bosnië is het bij lange na niet perfect, maar de partijen vechten in ieder geval niet meer. Dat lijkt in Syrië het hoogst haalbare.” Een vredesmacht, van 20.000 man, ook met Amerikaanse troepen, zou erop moeten toezien dat de alevieten, Koerden, christenen en andere minderheden bescherming krijgen. „Er zijn nog heel wat drempels voor Obama. De oorlogsmoeheid in de Verenigde Staten is zijn belangrijkste obstakel. Maar dit scenario moet voor Obama, die strategisch calculeert, aanvaardbaar kunnen zijn.”

Christopher Harmer houdt het Pentagon voor dat de mogelijkheden voor gewapend ingrijpen juist zeer beperkt zijn. Een afgedwongen no-flyzone, zoals in Libië in 2011, is onmogelijk. „In Libië gebruikte de NAVO die zone om troepen van Moammar Gaddafi te bombarderen. Dat zijn de Russen en Chinezen niet vergeten. Die zijn nog steeds woedend en zullen nooit instemmen met een nieuwe no-flyzone. Hooguit kunnen we een klein veilig gebied creëren in het noorden van Syrië, door luchtafweergeschut te plaatsen aan de Turks-Syrische grens.”

Volgens Harmer moeten de Amerikanen doen wat (waarschijnlijk) de Israëlische luchtmacht dit weekend demonstreerde: met een verrassende aanval een dreun uitdelen aan Assads leger. „We kunnen zijn luchtmacht betrekkelijk eenvoudig uitschakelen met Tomahawk-raketten. We weten precies waar die vliegtuigen staan. Dat zou het leed onder burgers verzachten, want Assad gebruikt zijn luchtmacht nu vooral voor vergeldingsmissies. De Israëlische aanval leerde ons bovendien nog een andere les: het Syrische luchtafweergeschut is niet zo goed als we dachten. Dat haalt een bezwaar weg bij Obama als hij eventueel zelf aan luchtaanvallen gaat denken.”

Harmer is voor wapenleveranties aan de rebellen, net als Michael O’Hanlon. „Ze hebben een groot tekort aan luchtafweergeschut, waardoor de Syrische luchtmacht vrij spel heeft. Ik pleit voor het leveren van Stingers [met de hand te bedienen luchtdoelraketten, red.], waarmee ze dat nadeel kunnen compenseren.”

De Amerikanen hebben slechte herinneringen aan wapenleveranties: in de jaren tachtig werden Stingers geleverd aan de mujahedeen in Afghanistan. Veel van die wapens zijn later in handen van de Talibaan gevallen. Harmer: „Ik erken meteen de gevaren. Ook leveranties in Libië zijn misgegaan, die wapens zijn in Mali opgedoken. Toch kunnen Stingers een einde maken aan de bombardementen op burgers, dat weegt nu zwaarder.”

Beide experts zeggen dat de oorlogen in Irak en Afghanistan een les waren in bescheidenheid. Amerika bleek militair veel minder te kunnen bereiken dan werd gedacht. Harmer: „Vooral de scenario’s voor de opbouw na de oorlog bleken niet te kloppen. We dachten het concept ‘democratie’ te kunnen exporteren. Afghanistan en Irak zijn nu instabiel en gewelddadig. De onenigheid onder de Syrische rebellen laat al zien dat de rust na Assads val niet zomaar zal terugkeren. De enige kans op stabiliteit is een zorgvuldig onderhandeld verdrag tussen alle strijdende partijen. Daar is buitenlandse hulp bij nodig: Assad verdwijnt niet vanzelf, en een vredesverdrag na de oorlog ontstaat ook niet vanzelf. Obama is zich ervan bewust dat hij toch een rol moet spelen in Syrië.”