Bouwers blijven snijden en saneren

Heijmans komt vandaag opnieuw met sombere berichten. Maar de grote bouwbedrijven houden vooralsnog stand. Ze snijden en saneren om kredietwaardig te blijven.

De toon van Heijmans begint zorgelijker te worden. De derde bouwer van Nederland is „zeer alert”, zei topman Bert van der Els vanochtend in een voorlopig persbericht over het resultaat in het eerste kwartaal – zonder al te veel pijnlijke cijfers. Door de lange vorstperiode en de verdere krimp is Heijmans het jaar „matig” begonnen met „een lagere omzet en een lager resultaat”.

Met name de markt voor infrastructuur (wegen en openbare voorzieningen) en woningbouw is verder ingezakt: Heijmans verkocht tot en met april zestig huizen aan particulieren en nul aan beleggers. Ter vergelijking: begin 2007, nog voor de crisis, verwachtte Heijmans dat jaar vierduizend huizen te verkopen.

Ook advies- en ingenieursbureau Grontmij sprak deze week van aanhoudende malaise in de Europese markt, met verlies in Nederland en Frankrijk. Bij baggeraar Boskalis, de ‘natte bouwer’ die vanmiddag met cijfers komt, zullen de berichten over deze regio niet veel anders zijn.

Je begint je af te vragen: hoe lang kan het nog duren voor de eerste grote Nederlandse bouwer omvalt?

Zover is het nog niet, volgens Frits Jansen van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), het rekencentrum voor de bouwsector. Jansen volgt de sector al jaren. Hij analyseert sinds eind jaren zeventig de cijfers van Nederlandse bouwers, later ook van de Europese concerns.

De huidige crisis is wel „ongekend”, zegt Jansen. „Het aantal faillissementen in de bouw ligt hoger dan begin jaren tachtig.” Dagelijks vallen meer dan drie bouwbedrijven om, berekende dagblad Cobouw onlangs. De grote lobbyclub Bouwend Nederland verloor vorig jaar 9 procent van de circa 3.300 leden door faillissementen en opzeggingen.

Tussen de piek in 2008 en 2011 is de Nederlandse markt voor bouwers met zo’n 10 procent gekrompen, staat in het meest recente EIB-rapport. Dat valt nog mee in vergelijking met Ierland en Spanje waar de daling een „draconische vorm” heeft aangenomen – de Spaanse bouwmarkt kromp vorig jaar met 21 procent. Maar in Noorwegen, België, Duitsland en Zwitserland is de markt tijdens de crisis juist gegroeid.

Toch is er – op papier – geen reden voor paniek onder de grote Nederlandse bouwers, volgens Jansen. Cruciaal is of banken nog voldoende vertrouwen hebben in het eigen vermogen van bedrijven. „De solvabiliteit of kredietwaardigheid van alle grotere bouwbedrijven is nog redelijk tot goed. Alleen de rendementen staan onder druk, met name door toegenomen concurrentie en prijsdalingen op de binnenlandse markt.”

De meeste bouwers zitten met hun solvabiliteit nog ruim boven de kritische grens van pakweg 20 procent. Het vergelijken van deze percentages in jaarverslagen is lastig, omdat iedere bouwer rekent – lees: goochelt – met een eigen methode. Accountant KPMG publiceert jaarlijks een overzicht met een standaardformule: de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen (inclusief geleend kapitaal). Onder de grotere bouwers was de solvabiliteit gemiddeld 31 procent in 2011, volgens het laatste rapport van KPMG.

Saillant detail: de bedrijfsomvang zegt niet zoveel over de financiële stabiliteit voor de lange termijn. De grootste bouwer van Nederland, BAM, had in 2011 de laagste solvabiliteit met 16 procent. Heijmans daarentegen zat maar liefst op 27 procent en Boskalis als kapitaalintensieve vlootbeheerder zelfs op een comfortabel niveau van 37 procent.

Maar 2011 was een relatief goed crisisjaar voor de bouw met een lichte groei na twee jaren van krimp. De terugval in het afgelopen jaar heeft de kredietwaardigheid van sommige bouwers aangetast. Volgens de eigen jaarverslagen daalde de solvabiliteit van BAM met 3,5 procent, die van VolkerWessels met 6 procent en die van Ballast Nedam met 4 procent.

Algemeen zijn grote, internationaal georiënteerde bouwers zoals BAM en VolkerWessels meer crisisbestendig door risicospreiding over vele landen en sectoren. Heijmans en Ballast Nedam, die sterk gericht zijn op de binnenlandse markt, voelen meer pijn. En de verwachting van het EIB is dat de Nederlandse markt dit jaar nog met 5 procent krimpt.

Snijden en saneren is de oplossing als de winstmarges steeds kleiner worden. Zo kun je de bedrijfskosten drukken en het eigen vermogen en de solvabiliteit op peil houden.

Bij Heijmans (circa 8.000 medewerkers) verdwenen in het eerste kwartaal weer honderd voltijds banen en meer ontslagen worden niet uitgesloten, meldde het bedrijf vanochtend. De orderportefeuille van twee miljard euro was eind maart nog „stabiel”. De bouwer hoopt dit jaar met winst af te kunnen sluiten.

„Banken hebben belang bij het voortbestaan van bouwbedrijven”, zegt Jansen. „Ik neem aan dat ze een rekensom maken wat de kosten zijn als een grote bouwer om zou vallen. Niet alleen de bouwer, maar de hele keten van aangesloten onderaannemers krijgt het dan moeilijker.”