Winkelwagenmussen

Huismussenpoep onder geparkeerde winkelwagentjes. Foto Kees Moeliker

Er is weer hoop voor de huismus. Na een dramatische halvering van de populatie in de afgelopen decennia, hebben tellingen in het stedelijk gebied sinds 2007 een lichte toename vastgesteld. De Stadsvogelbalans 2013 (van de Vogelbescherming) vat het zo samen: „De grote achteruitgang lijkt voorbij, maar het is te vroeg om te spreken van herstel. Opvallend is de goede stand in nieuwbouwwijken, dat geeft hoop voor de toekomst van de huismus in Nederland.”

In de Rotterdamse (nieuwbouw)wijk Prinsenland zie ik zelf ook meer huismussen. De eerste tekenen daarvan vond ik op een ongebruikelijke plek: het winkelwagentje waarmee ik de weekendboodschappen deed. Op het handige uitklaprekje waar precies een krat bier past, zaten witte vogelpoepjes. Ook andere karretjes waren licht bescheten, maar in de supermarkt was geen vogel te bekennen. De daders vond ik toen ik het lege winkelwagentje buiten terugzette in het overdekte hokje waar men de karretjes drie rijen dik dient te parkeren. In het hokje tussen en in de wagentjes hoorde ik huismussen vrolijk tsjilpen.

Dat ze er ook werkelijk langdurig zitten, bleek uit drie parallel onder de supermarktkarretjes liggende poepbanen. Mijn vermoeden is dat de mussen het dichte netwerk van ijzer benutten als een (roofvogel)veilige hangplek, vergelijkbaar met een heg of een klimop waar ze in meer groene omgeving gezamenlijk verblijven. Onder de karretjes vinden ze nog voedsel ook. Waar de winkelwagenmussen nestelen, heb ik nog niet ontdekt.

De auteur is bioloog en conservator van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam.