‘Wij doen dit uit liefde voor het waterpolo’

Hij behaalde goud met de waterpolovrouwen in Beijing. Nu gaat Robin van Galen met drie oud-topspelers de mannen coachen. „De ploeg heeft een frisse wind nodig.”

Bondscoach Robin van Galen met de gouden vrouwenploeg tijdens de Spelen van Beijing in 2008. Foto AP

Een „geweldig moment om in te stappen”, zegt hij vanmorgen in een telefonisch interview. Robin van Galen (41), de man achter de gouden vrouwenploeg van de Olympische Spelen van Beijing (2008), staat in de waterpolowereld bekend als ras-optimist, maar zijn besluit juist nu mannenbondscoach te worden, is opmerkelijk: de laatste keer dat de mannen goed genoeg waren voor olympische deelname was in Sydney 2000. Daarna werd nog maar weinig van hen vernomen. Sportkoepel NOC*NSF draaide onlangs zelfs de geldkraan dicht.

„Ik heb er heel veel zin in”, zegt Van Galen vanmorgen, enkele uren voor de officiële bekendmaking van zijn benoeming. Hij hoopt het mannenwaterpolo „een nieuwe impuls” te geven.

Uit de begeleidingsstaf waarmee Van Galen zal worden omringd, wordt duidelijk dat de Nederlandse waterpolowereld beseft dat het vijf voor twaalf is rond de mannenploeg. Zijn assistenten zijn allemaal prominenten uit betere tijden, stuk voor stuk met drie olympische eindtoernooien op hun naam: Nico Landeweerd, winnaar van olympisch brons in 1976 (Montreal); Harry van der Meer, jarenlang profspeler in Italië; oud-topdoelman Arie van de Bunt, de nieuwe keeperstrainer. Tweevoudig olympiër Hans Nieuwenburg wordt de nieuwe teammanager.

„Op dit begeleidingsteam ben ik heel trots”, zegt Van Galen, Nederlands sportcoach van het jaar in 2008. „De mannenploeg, de hele organisatie erom heen, heeft een frisse wind nodig.”

Van Galen is duidelijk over zijn motieven om juist op dit moment bondscoach te worden. Net als zijn assistenten is hij te veel liefhebber om de nationale mannenploeg op de bodem te laten liggen. „De Nederlandse waterpoloploeg wordt op korte termijn geen olympisch kampioen”, zegt Van Galen in alle eerlijkheid. „Wij doen dit uit liefde voor de sport. Dat moet de spelers ook energie spelers geven. We gaan een eigen draai geven aan het waterpolo. En daarmee hopen we veel mensen wakker te schudden en te interesseren voor het waterpolo. Ook financieel. We moeten toch mensen en bedrijven aan ons binden om een olympisch trainingsprogramma te kunnen opzetten. We hebben veel contacten. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit lukt.”

De afgelopen jaren probeerde de mannenploeg onder Van Galens voorganger Johan Aantjes via een centraal programma op het KNVB-centrum in de bossen van Zeist terug te keren naar het hoogste niveau.

Maar nu NOC*NSF „de handen ervan heeft afgetrokken”, zoals Van Galen het formuleert, is die kostbare constructie geen optie meer. Van Galen, zelf clubcoach en technisch directeur bij UZSC in Utrecht, wil het clubniveau en de hoogste competitie in Nederland zodanig verhogen, dat de nationale ploeg vanzelf sterker wordt. „De clubs worden veel belangrijker, een centraal trainingsprogramma trainen kunnen we niet meer uitvoeren. We hebben minder geld te besteden. Maar er zijn genoeg voorbeelden landen waar de spelers van de nationale ploeg gewoon in een sterke competitie spelen. Ik ben ervan overtuigd dat een sterke competitie met sterke clubs een prima voedingsbodem is voor de nationale ploeg.”

Van Galen heeft intussen al een trainingsprogramma geschreven waarmee de internationals, mede door trainingen bij hun eigen clubs, tot acht of negen trainingen per week zullen komen.

Natuurlijk heeft Van Galen al nagedacht over de eerst volgende mogelijkheid zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen, het toneel waar hij zijn grootste succes behaalde. „Rio de Janeiro in 2016 wordt moeilijk, maar we gaan het wel proberen. We hebben de ambitie dat toernooi te halen. Een olympische droom is niet alleen olympisch kampioen willen worden. Ik heb ook een olympische droom om de Spelen te halen. Je wilt je als sporter meten met de besten ter wereld.”