Wie durft er nog toezicht te houden?

Door affaires en een nieuwe wet is toezicht houden minder leuk.

Tijd en prioriteit; het is de dagelijkse strijd van topbestuurders, ook in de (semi)publieke sectoren als het onderwijs en de zorg. Voor sommige van hun toezichthouders geldt hetzelfde, want toezien is een deeltijdfunctie. En dus konden ze commissariaten en andere nevenfuncties ongelimiteerd stapelen. Tot een nieuwe wet begin dit jaar daar een einde aan maakte.

VVD-senator Loek Hermans geldt als het archetype toezichthouder: een blanke, hoogopgeleide man die aan één A4’tje niet genoeg heeft voor zijn activiteiten. Zo is zijn huidige lijst met bijbanen met bijna twintig goed gevuld, de opsomming van voormalige nevenfuncties is met tachtig een heuse waslijst.

Hermans is geen uitzondering en ook zijn politieke kleur is niet uniek. Wat de bekendste verzamelaars bindt, is hun leeftijd en een politiek verleden in Den Haag: de oud-ministers Cees Veerman (CDA), Elco Brinkman (CDA) en Hans Alders (PvdA) en commissaris van de koning in ZuidHolland Jan Franssen (VVD).

Op initiatief van SP-Kamerlid Ewout Irrgang besloot de Tweede Kamer in 2009 het aantal nevenfuncties te beperken. Het aantal organisaties dat de afgelopen jaren in de problemen kwam waar het toezicht tekortschoot, onderstreepte de noodzaak: onderwijskolos Amarantis, het VU medisch centrum en thuiszorgmoloch Meavita zijn maar een paar voorbeelden. Een toezichthouder mag nu nog maximaal vijf functies hebben. Een voorzitterschap telt dubbel. Kerken, goede doelen en culturele instellingen vallen niet onder de wet.

Parallel aan de invoering van de wet loopt de discussie over de bezoldiging van de toezichtfuncties. Is een beursgenoteerd bedrijf doorgaans goed voor 40.000 euro per jaar, in de zorg en bij woningcorporaties wordt een kleine 10.000 euro betaald. Het onderwijs zit daar iets onder.

Voor sommige toezichthouders is de aanhoudende woordenstrijd over hun bezoldiging reden zich terug te trekken of zich niet langer te laten betalen voor deze publieke taak. Anderen, zoals Jan Franssen, kennen geen twijfel. „Er moet veel bestuurlijk werk worden gedaan waar niet zoveel geschikte mensen voor zijn als critici vaak denken”, zei hij onlangs in het tv-programma Buitenhof. De VVD’er, alleen al aan nevenfuncties goed voor anderhalve ton op jaarbasis, is „niet van plan zich voortdurend te laten bashen”. Franssen: „Ik kan iedereen recht in de ogen kijken.”

Of de wet tot beter toezicht leidt, moet worden bezien. Freek Muller heeft grote twijfels. Hij is managing partner bij het recruitmentbureau Holtrop Ravesloot & Partners, dat frequent toezichthouders werft voor publieke instellingen. „Wat je ziet is dat bekwame mensen die hart hebben voor de publieke zaak scherper kiezen. Het afbreukrisico is in de publieke sector groter terwijl de vergoeding vaak lager is dan in de private sector. Dat maakt dat ze vaak nog maar één of hooguit twee publieke functies willen doen. Feitelijk is er dus sprake van het introduceren van marktwerking in het toezicht houden. Dat lijkt me een ongewenst neveneffect van deze wet.”