Lelijke alliteraties leiden tot het allermooiste lied

„Zie hoe de zon een scherpe schaduw trekt.” Menigeen vindt Mooi een van de meest ontroerende liedjes die Maarten van Roozendaal ooit schreef. Maar zelf was hij helemaal niet van plan iets ontroerends te schrijven. In een schrijfhut in het Utrechtse dorp Kamerik zag hij het voorjaar ontluiken en trachtte dat te beschrijven. „En allitereren in liedteksten vind ik altijd zo stom, dat ik het juist daarom zelf eens wilde doen. Gewoon om te laten zien hoe makkelijk dat wel niet is en om een beetje te pesten.” Zo noteerde hij: „Zie de lammeren nou toch lurken.” En: „Hoe de jonge zwanen donzen in de zachte sloot.” De ene regel volgde op de andere: „Ik was gewoon een beetje aan het kutten en lachte me kapot.” Tot hij schreef: „Ach, ik ben goddank dus nog een keer een jonge lente waard.” Gevolgd door: „Om te janken zo mooi.” Pas toen begon het lachen hem enigszins te vergaan: „Enfin, toen heb ik die tekst met wat tegenzin toch maar op muziek gezet.”

Van Roozendaal, die wegens een ernstige ziekte niet meer optreedt, vertelt dit onverwachte verhaal in het bundeltje Nieuwe klassiekers dat gistermiddag door auteur Daan Bartels ten doop is gehouden in theater DeLaMar in Amsterdam. Er staan „21 liedjes met eeuwigheidswaarde” in, met de verhalen van de makers – van Heb het leven lief (Liesbeth List) tot Meneer Alzheimer (Youp van ’t Hek), en van Als het vuur gedoofd is (Acda & De Munnik) tot Mag ik dan bij jou (Claudia de Breij).

Als fervent voorvechter van het betere Nederlandse lied (zie zijn site hetlied.nl) zag Bartels jarenlang steeds minder aandacht voor zijn lievelingsgenre: „Maar er is nieuwe hoop. Twee van de drie finalisten op het laatste Leids Cabaretfestival zongen liedjes. In het theater hoor je er steeds meer. Maar niet op radio en televisie; daar wordt nog altijd gedacht dat liedjes iets voor een klein publiek zijn. Dat waanidee moet uit de wereld.”