Ik voel me soms net Casper het spookje

Ilvy Njiokiktjien is de eerste Fotograaf des Vaderlands. Ze wordt het liefst genegeerd. „Je ziet aan mijn foto’s dat de mensen op de foto mij niet zien.”

Of we ’s ochtends kunnen afspreken, whatsappt Ilvy Njiokiktjien. Want in de middag moet ze met een kano de Oostvaardersplassen op, op zoek naar ganzen. En ’s avonds heeft ze ook een opdracht. „Ik maak meer kilometers dan foto’s”, zegt de 28-jarige fotografe lachend, als we om 10.00 uur aan de thee zitten. Ze rijdt gemiddeld 300 kilometer per dag, om voor verschillende opdrachtgevers, waaronder de The New York Times, Der Spiegel, ANP en NRC, te fotograferen. Met een Land Cruiser. „Dat ding rijdt 1 op 9!” grinnikt ze. „En ik pas in geen enkele parkeergarage. Maar ik vind die bak zo stoer, het is mijn hobby. Vroeger wilde ik vrachtwagenchauffeur worden.”

Njiokiktjien, die haar achternaam dankt aan een half-Chinese vader, is sinds april de eerste Fotograaf des Vaderlands, een initiatief van Fotoweek (samengesteld uit Foam en het Nederlands Fotomuseum). Ze won in haar nog korte carrière al meerdere prijzen, waaronder een prijs bij de World Press Photo vorig jaar. „Tot dan toe zei ik altijd, het is toeval, ik heb een engeltje op mijn schouder. Maar toen dacht ik voor het eerst: ik kan blijkbaar toch een goede foto maken.”

Vorige week wachtte Njiokiktjien haar eerste taak als Fotograaf des Vaderlands: het vastleggen van de troonswisseling. Haar foto van de balkonscène stond woensdag op de voorpagina van nrc.next. „Ik was blij dat ik die foto had hoor, maar 45 andere fotografen hadden dat beeld ook. Ik ben meer geïnteresseerd in de momenten voor of na de echte gebeurtenis. Ik had Willem-Alexander liever ’s ochtends aan zijn bordje Brinta gefotografeerd.”

Een Fotograaf des Vaderlands, hebben we die nodig?

„Nou, toen ze me belden om te vragen of ik interesse had, dacht ik, jeetje wat een titel. Maar juist door die titel heeft het veel aandacht gekregen, en dat vind ik belangrijk. Want de vakfotografie kan wel een push gebruiken. Er is veel negativiteit rondom de fotowereld: de tarieven gaan omlaag, er is te weinig werk. Fotografie wordt niet meer als vak gezien, iedereen kan met een mobieltje foto’s maken. Maar het is wél een vak.”

Wanneer kocht je je eerste camera?

„Mijn interesse voor fotografie kwam best laat, pas rond mijn veertiende tijdens een vakantie, met de camera van mijn vader. Toen ik een jaar high school deed in de VS volgde ik een vak fotografie. Toen werd ik écht enthousiast, want ik mocht in de doka. Dat je die rolletjes door zo’n spoel haalt, onder zo’n lamp legt, en dat er dan een foto verschijnt. Ik ben daarna digitaal gaan fotograferen, maar toen besloot ik wel fotograaf te worden. Ik ging de School voor Journalistiek doen: drie jaar schrijven en dan een jaar fotografie. Mijn eerste professionele camera kocht ik tijdens mijn stage bij Spits. Ik schreef toen nog, maar Spits zei tegen mij: als wij je nu tien foto-opdrachten vooruitbetalen, kun jij een goede camera kopen. Zo kon ik oefenen met nieuwsfotografie. In 2007 verhuisde ik naar Zuid-Afrika om te werken voor The Star, vergelijkbaar met De Telegraaf. Daar lieten ze me los, ik mocht overal op af. Van busongelukken, tot ministers portretteren. Daar heb ik het meest geleerd.”

Hoe kom je op een goed verhaal?

„Ik was op school altijd al een enorme dromer, ik denk heel beeldend. Door journalistiek te studeren leerde ik hoe je research doet. In het begin was ik veel beter in een verhaal zoeken dan in fotograferen. De serie waarmee ik de World Press Photo won, ‘Afrikaner Blood’, heb ik puur gevonden door die journalistieke achtergrond. Mijn vader is ook nummer één in reportages bedenken. Dan belt hij me op en zegt: euthanasie is zo veel in het nieuws, maar er zijn geen foto’s bij. Daar ben ik nu al een jaar mee bezig – om een euthanasiepatiënt te zoeken die op de foto wil. Ik heb bij zo veel zielige meetings en gesprekavonden gezeten, artsen gesproken, oproepen gedaan. Zonder reactie. Nu heb ik waarschijnlijk iemand gevonden. Maar het blijft moeilijk om het snelle nieuws te combineren met dit soort langdurige documentairefotografie.”

En wat is dan een goede foto?

„Vroeger dacht ik: als een foto geen onderschrift nodig heeft, dan is het een goede foto. Als het wie, wat, waar, waarom in het beeld zit. Maar nu denk ik dat een foto ook goed kan zijn als er tekst bij nodig is om nuance te geven. Of als een serie beelden nodig is om iets te illustreren.”

Je gaat de komende maanden 100 verjaardagen in Nederland fotograferen. Hoe zien we jou terug in die foto’s?

„Het idee was eerst om de jarigen met hun gasten te portretteren. Maar ik ben niet zo van dingen in scène zetten. Wat ik liever doe is tegen de gasten zeggen: negeer me alsjeblieft totaal. Soms is dat heel raar, want ze negeren je dus echt. Dan voel ik me net Casper het spookje. Maar dat is wel wat mijn stijl herkenbaar maakt. Je ziet aan mijn foto’s dat de mensen op de foto mij niet zien. Laatst was ik bij een jongetje dat vijf werd. Hij kreeg een skelter, maar vlak voordat hij met uitpakken begon, klapte er een ballon in z’n gezicht. Op de foto zie je hem dus enorm huilen voor dat grote, ingepakte cadeau. Dat soort momenten vind ik mooi.”

Wil je als nieuwsfotograaf niet dichter bij de actie zitten? In Syrië bijvoorbeeld?

„Jawel, maar als de oorlog voorbij is. Je ziet nu prachtige foto’s uit Syrië, maar allemaal beelden van scherpschutters, best vergelijkbaar. Ik wil dan iets anders doen. Ik zou nu wel foto’s willen maken van Assad met zijn vrouw, met een cocktail aan de rand van het zwembad.”

Tonen nieuwsfoto’s dan wel de waarheid?

„Vlak na de School voor Journalistiek was ik daar heel fel in: de waarheid, hoor en wederhoor! Maar uiteindelijk is de waarheid ook maar een mening. En de situatie verandert als je er bent. Zo ging ik ’s morgens om 7 uur een ontbijt op bed fotograferen. Toen vroeg die vrouw of zij even wat make-up op mocht doen – maar niemand heeft toch make-up op ’s ochtends? Zo gaat het nu altijd als er een camera bij is.”