Ik heb mijn vader een beetje terug

Jessica Meijer leed aan boulimia, rookte, dronk en blowde. Ze wist niet hoe ze de dood van haar vader Ischa moest verwerken, totdat ze er een boek over schreef. Dit is wat ze van het leven weet – tot nu toe.

Jessica Meijer, nu 28, was tien jaar toen haar vader Ischa overleed. Iedereen eiste het verdriet op, mede doordat haar vader zo bekend was, waardoor er geen ruimte was voor dat van haar. Ze wist bovendien niet hoe ze haar verdriet moest verwoorden. Psychische automutilatie was het gevolg: ze ging roken, blowen, drinken, had seks om zich gezien te voelen en leed jarenlang aan boulimia. Ondertussen wist ze dat goed verborgen te houden. Ze schreef een autobiografisch boek, Een blik Jodenkoeken, over de verwerking van de dood van haar vader.

■„Eis je ruimte op. Na de dood van mijn vader verlangde ik dat mensen mij konden helpen, dat ze me zagen en wisten wat er met me aan de hand was. Tegelijkertijd wist ik de schijn op te houden dat het heel goed met me ging. Wat me nu fascineert is de vraag: hoe kan iemand je helpen als je zelf niet aangeeft wat je nodig hebt? Pas toen ik Een blik Jodenkoeken ging schrijven, merkte ik hoe goed ik in verbergen was. Niemand had door dat ik voortdurend mijn eten uitkotste, dronk, rookte en blowde. Ik kon niet anders, ik wist niet hoe ik mijn emoties moest uiten, hoe ik voor mezelf moest opkomen en wat er precies in me omging. Dat was ook ingewikkeld, het is als een mengelmoes in mijn lichaam gaan zitten en dat heb ik gewoon weggeduwd. Ik denk dat dat een mechanisme is dat veel mensen toepassen. Inmiddels heb ik de ruimte gevonden voor mijn verdriet. Door het boek is mijn verdriet ook geen geheim meer. Eindelijk heb ik nu mijn vader weer een beetje terug.”

■„Probeer je te uiten. Als je met iets onverwerkts zit, kun je er niet echt over praten en dan is het moeilijk om te zeggen wat je ergens van vindt. Dat is het verschrikkelijkste wat er is, dat je geen grenzen kan aangeven. Ik heb gemerkt hoe belangrijk het voor me is om me te kunnen uitspreken. Boulimia was misschien te voorkomen geweest als ik iets meer ruimte had gegeven aan mijn eigen verdriet. Ik had meer moeten praten met buitenstaanders over wat de dood van mijn vader voor mij betekende, met een therapeut.

„Na het verschijnen van Connie Palmens boek over mijn vader, I.M. in 1998, verergerden het verdriet en de boulimia. Dat had ook kunnen gebeuren zonder de dood van mijn vader, daar ben ik van overtuigd. Die boulimia had door iets anders getriggerd kunnen worden. Na I.M. was het goed geweest als iemand door mijn façade heen had geprikt. Connie wilde geen commentaar geven op mijn boek, daar heeft ze voor gekozen.

„Connie verwende me toen mijn vader nog leefde heel erg, ze is iemand die de volle aandacht voor je heeft als je er bent. Ik was erg aan haar gehecht. Maar de manier waarop ze boven aan de deur tegen me zei ‘Ischa is dood’ is traumatisch geweest. Vanaf dat moment ben ik op slot gegaan. Ik snap het wel, zij was natuurlijk ook in shock, maar ik had het liever anders gehoord.”

■„Laat verdriet toe. Het gemis van mijn vader is inmiddels behapbaar geworden. Soms kan ik nog erg verdrietig worden, maar vroeger had ik het gevoel dat het verdriet oneindig was. Ook bij een onbekende vader kan het zijn dat mensen zich het verdriet toe-eigenen, maar doordat mijn vader bekend was, waren er zoveel mensen die dat deden. Ik wil graag alle verhalen horen, maar soms wordt het te veel. Ook kwamen mensen ongevraagd met verhalen, het maakte me monddood.”

■„Je kunt jezelf opnieuw uitvinden. Bij mij zijn daar jaren overheen gegaan, door het volgen van veel therapie. Ik wilde er achterkomen wat er onder de boulimia zat, waardoor was deze eetstoornis ontstaan? Ik kwam er door dit boek te schrijven achter dat dat die voortkwam uit angsten en onzekerheden. Door het schrijven heb ik meer gekeken naar mijn eigen aandeel. Ik heb al die jaren met meer afstand bekeken. Als je me een jaar geleden had gesproken dan was ik een stuk verwijtender geweest tegenover mijn omgeving. Dan was het vooral om de vraag gegaan: waarom hebben jullie niet gezien dat ik verdrietig was en waarom hebben jullie me niet geholpen? Nu ben ik uitgegaan van de vraag: hoe komt het dat het zo gegaan is?

„Ik zie nu ook beter dat ik niet geholpen kon worden omdat ik zo goed was in het verbergen van de dingen. Voor de buitenwereld deed ik het meer dan prima, voor mensen leek ik altijd sterk en zelfverzekerd. Die beide kanten maken deel uit van mij, die zelfverzekerde kant is niet weg nu de boulimia weg is. Ik besef nu dat de onzekere kant er best mag zijn af en toe. Dus ik heb me zelf herontdekt.”

■„Leer het verleden van je familie kennen. Je kunt je ouders dan beter begrijpen. Ik volgde een collegereeks over mijn grootvader en vader, en daar hoorde ik voor het eerst hoe de familiegeschiedenis in elkaar zat, hoe het kampverleden een bepalende rol heeft gespeeld. Ik snapte mijn vader daardoor beter, en ik kon accepteren wie hij was, met zijn ingewikkeldheden, verslavingen en vrouwen.

„Hetzelfde geldt voor mijn moeder. Gelukkig kon ik haar wel rechtstreeks vragen hoe het zat met haar ouders. Door de verhalen van haar ouders in de oorlog en de onthechting die daaruit voortkwam, begrijp ik beter waarom ik niet de ideale moeder heb gehad die mij voor ogen stond. Zij heeft zelf nooit de aandacht gekregen die een kind hoort te krijgen. Doordat ze dus niet geleerd had hoe het is om alle aandacht te krijgen, heeft ze ook niet geleerd hoe je die aandacht moet geven. Mijn moeder heeft door het oorlogstrauma van haar ouders altijd het idee gehad dat ze er niet mocht zijn. Ik heb zelf altijd gedacht dat ik er niet toe deed, niet goed genoeg was. Het lijkt hetzelfde, maar dat is het niet. Bij mij ging het niet om het idee dat ik er niet had mogen zijn, maar omgekeerd: ik ben er nog en daarom moet ik het goed doen ook. Alsof ik mezelf continu moest bewijzen.

„Daar kwam bij dat mijn moeder was getraumatiseerd door mijn vader – hij verliet haar toen ze zeven maanden zwanger van mij was. Pas toen ik op mijn vierde ging vragen waarom ik niet net als de andere kinderen een vader had, leerde ik hem kennen. Mijn moeder heeft mijn vaders vertrek nooit echt verwerkt en kon zijn dood daardoor ook niet de plek geven die ik nodig had. Er was bij mijn moeder thuis geen plek voor hem.

„Toen ik hem eenmaal kende, verliep de relatie tussen mij en mijn vader maar ook die tussen mijn ouders onderling best goed. Ik denk ook dat die goed zou zijn gebleven, totdat hij plotseling overleed. Door de aandacht die erna voor hem was, werd alles ontwricht. En bij mij al helemaal. Wat oké leek te gaan, de lijn die er was, daar kwam door zijn dood een knak in.”

Jessica Meijer: Een blik Jodenkoeken. Prometheus, 296 blz, 17,95 euro.