Gepensioneerde avonturiersters

De zusters van Heverlee gingen naar Congo en Burundi. Nu zijn ze oud en hun orde sterft uit. „De eerste zusters woonden nog in hutjes.”

Bethanie; Rozenberg; klooster; moeder overste Lucette Daenen; nonnen; woon- en zorgcentrum; zuster Trui D’Hoore; zusters; zusters Annuntiaten

Trui D’Hoore (84) schuifelt achter haar rolstoel door de gang van woon- en zorgcomplex Rozenberg. Het tehuis in het Belgische Heverlee bij Leuven lijkt een bejaardentehuis als elk ander. Lange, schemerige gangen met deuren aan weerszijden. Stoelen met rechte leuningen in verzadigde kleuren skai. Felicitatieknutselwerkjes aan de muur. Koffiekannen op het barretje. De gesprekken die de vrouwen met elkaar voeren gaan over het weer, de bewoners, vroeger.

Maar wie even luistert op de gang, hoort wat anders.

„U zat ook in de Congo.”

„Weet u nog dat ze daar geen genoegen namen met een pilleke?”

„Ze wilden ook per se een spuit.”

„Die gaven we dan maar, een spuit met steriel water. Tien armen op een rij. Met één naald!”

Trui schuifelt hoofdschuddend verder. „Je moet er toch niet meer aan denken, hoe dat toen ging.”

Tien meter verder. „Dat is er een uit mijn jaar”, knikt Trui in de richting van zuster Paula.

„De Congo!”

„De eerste zusters woonden nog in hutjes.”

„Je moest van alle markten thuis zijn. Verplegen, huizen bouwen.”

„En als je dan zo keek, zag je dat al die balken scheef waren.”

In dit huis wonen de zusters Annuntiaten van Heverlee. Ze zijn deel van een traditie die eeuwen geleden begon en hier, in dit huis, zal eindigen. „Menselijk gezien, dan”, zegt overste zuster Lucette Daenen van 74 jaar terwijl ze haar bezoek in stevig tempo door het complex loodst. „We weten nooit hoe de Geest werkt.”

De zusters Annuntiaten – verwijzend naar de annonce van de geboorte van Jezus aan Maria – gaan terug tot 1502. Toen stichtte de naar verluidt ziekelijke en ietwat gebochelde Johanna van Frankrijk, die door haar man Lodewijk XII in de steek was gelaten, een contemplatieve orde. De orde nam de moeder van Jezus als voorbeeld. „De grondhouding van Maria is dienend”, zegt zuster Lucette. „Ze bood hulp en zag de nood van de mensen. Door veel naar Maria te kijken en op de teksten in de Bijbel over haar te mediteren, worden we als het ware zoals zij.” 

Aan het eind van de achttiende eeuw nam een groep Belgische zusters die leefregel over. Zij werden daarna de zusters van Heverlee. Bij het klooster dat zich toelegde op onderwijs kwamen al snel een paar scholen. Op het hoogtepunt van de orde, in de jaren zestig, waren er ruim vierhonderd zusters. Nu wonen er in heel België nog 114, van wie 75 in Heverlee, verdeeld over het klooster met een indrukwekkende kapel en het zorgcomplex.

Zij zijn de laatste generatie. Hun gemiddelde leeftijd is 76. Zuster Lucette telt op haar vingers: „Er zijn er nog 1, 2, 3, 4, 5 onder de 60.” Om zich voor te bereiden op de toekomst, bouwde het klooster een zorgcentrum voor zusters die hulpbehoevend zijn. Zo kunnen ze het kloosterleven voortzetten tot aan hun dood. Eén voor één komen ze naar huis.

Avontuur in Congo

Ze komen niet alleen vanuit het klooster, aan de andere kant van het grasveld. De zusters Annuntiaten is een ‘apostolische orde’, ze gaan erop uit. Naar scholen en ziekenhuizen in België, maar ook naar ‘de missies’, in Congo, Burundi en Kameroen.

Dat maakt dat het doodnormale zorgcomplex langzaam volloopt met gepensioneerde avonturiersters.

Neem zuster Trui.

„Ik was 22 toen ik intrad”, vertelt Trui in haar spaarzaam ingerichte kamertje. Op haar school in Kortrijk hoorde ze van zusters in Ceylon, nu Sri Lanka. „Daar verlangde ik ook naar. Mijn tante was een van de eerste zusters Annuntiaten die naar Congo ging. Die was vol van Congo en ik vroeg aan papa of ik ook mocht gaan.”

Haar moeder wilde de jonge Trui, oudste van zes kinderen, niet laten gaan. Maar Trui was vastbesloten. „Papa bracht me hierheen. Mama kon het niet aanzien.”

Zo werd ze in 1951 een novice. Ongeduldig volgde ze de opleiding tot verpleegkundige en verloskundige en leerde ze leven naar het voorbeeld van Maria. In april 1958 vertrok ze. „Toen we uit het vliegtuig kwamen moesten we nog héél ver rijden. Rijden, rijden, rijden. Ik dacht: waar leven er hier ergens mensen?”

Met een stralend gezicht vertelt ze over het werk. Een been met een tot op het bot veretterde wond, die in een bak met chloroform moest. Over elke dag baby’s ter wereld brengen. „Zulke kleine prullekes. Helemaal blauw waren ze nog.” Te vroeg geboren baby’s die al voor dood waren achtergelaten, vrouwen met keizersnedes die door dorpsbewoners waren gezet. Vaak kwamen de mensen te laat bij de zusters, pas nadat ze alle medicatie van de medicijnman hadden geprobeerd.

Toen, na twee jaar, sloeg een camionette vol zusters om. Trui, in de open achterbak, raakte in coma. „Ik werd in een deken gerold. Als een varkentje aan een stok hebben ze me toen lopend naar de missiepost gedragen.” Een maand lag ze in coma. Ze moest naar België.

Maar ze wilde terug naar Congo, terug naar het avontuur. Dat hield ze twee jaar vol. Ze kreeg epileptische aanvallen en moest veel rusten. Uiteindelijk was haar gezondheid te slecht om nog te blijven. In België bleef ze vroedvrouw, in het ziekenhuis in Leuven waar ze elke dag op haar brommer naartoe reed. In Congo is ze nooit meer geweest, maar de zinnen Kikongo spreekt ze nog altijd vloeiend uit.

Kloosterritme

Nu woont ze in de Rozenberg, pal naast het klooster waar ze de afgelopen decennia leefde. Er zijn geen jonge zusters meer om de ouderen te verzorgen, zoals dat vroeger ging. In Congo zijn wel jonge Congolese zusters. Maar die zijn daar hard nodig. En als ze al hierheen kunnen komen, dan hebben ze niet de juiste diploma’s.

De zusters hadden niet verwacht dat het zo zou lopen, dat de aanwas ooit zou opdrogen. Het klooster ingaan was zo gewoon. Maar met een pragmatische blik beschouwen ze de toekomst.

De scholen die ooit bij het klooster hoorden, zijn nu in seculiere handen. Eigen verpleegsters in dienst nemen werd te duur, dus is de Rozenberg nu een officieel woon- en zorgcomplex. Omdat de overheid meebetaalt, moeten ook ‘leken’ als bewoner worden toegelaten.

Dat heeft onverwachte consequenties. Voor het eerst sinds haar jeugd woont Trui in huis met mannen. „Ja, da’s wel wennen.” Ook is de wil van de ‘plaatselijk overste’ niet altijd meer wet, er is nu een directrice.

Maar er zijn ook enorme voordelen. De zusters zijn al vijftig jaar gewend met elkaar te wonen. „Pesten?” roept zuster Lucette uit. „Och nee, dat kan niet. Ik zeg tegen de zusters: jullie hebben nu een nieuwe roeping voor de andere bewoners. Heet ze welkom, help ze op de gang, groet ze.” De plaatselijk overste bewaakt de sfeer.

De zusters leven nog steeds in het ritme van het klooster. Morgengebed, eucharistie, middaggebed, rozenkrans, vespers. Tot ze niet meer kunnen en hier op het terrein begraven worden.

In Congo en Burundi zal het werk van de zusters verdergaan, zegt zuster Lucette. Maar hoe die het moeten doen zonder het geld uit België, dat weet ze niet. Ze maakt zich er „grote zorgen” over. Laatst hebben ze er een zeepmachine heen gestuurd, voor de zelfvoorziening.

Lucette verwacht wel dat de gemeenschap in Vlaanderen hier „naar z’n einde gaat”. Maar het geloof in Jezus vergaat niet, net zoals het leven in gemeenschap en het dienen van anderen. „Er zullen altijd nieuwe noden zijn.”