‘Tweederde van onze omzet is een schatting’

De kosten voor de zorg nemen sterk toe en het wordt nog veel erger. Zorgverzekeraars maken tegelijkertijd gigantische winsten. Hoe kan dat?

Het begint een bekend beeld te worden bij zorgverzekeraars. Daar exploderen de winsten, terwijl op het Binnenhof gedebatteerd wordt over het uit de hand lopen van de uitgaven in de zorg. Vanmiddag zou zorgverzekeraar Menzis, de nummer vier in het land na Achmea, VGZ en CZ, een winst publiceren van 215 miljoen euro – een vervijfvoudiging van het jaarresultaat. Gesprek met vicevoorzitter Ruben Wenselaar.

Waardoor groeit uw winst zo hard?

„De kosten in de zorg groeien landelijk gezien minder hard, de kosten in de farmacie dalen scherp doordat wij lagere prijzen bedingen, en we boekten ook goede beleggingsresultaten. En u moet het ook in perspectief zien: het is 215 miljoen winst op een premiestroom van 5,6 miljard euro.”

Opmerkelijk dat iedereen zijn winst vergelijkbaar omhoog ziet knallen. Duidt dat op een falende markt?

„Ik verzeker u, het zijn gesloten processen. Wij weten niet wat de andere zorgverzekeraars doen, maar vaak blijken zij dezelfde afwegingen te maken.”

Zorgverzekeraar DSW maakt ieder jaar toch gewoon als eerste de hoogte van de basispremie bekend en iedereen volgt?

„DSW komt inderdaad ieder jaar als eerste, maar wij bepalen de premie vooral binnenskamers, gebaseerd op onze eigen kostenprognoses.”

En dan komt iedereen dus op een vervijfvoudiging van de winst uit?

„Wij worstelen als zorgverzekeraars met heel veel onzekerheden. Wij lopen meer risico, dat vergt meer kapitaal. Die eisen van de toezichthouder gaan enorm omhoog, ook in Europees verband. Wij moeten 11 procent van de uitgaven bij de basisverzekeringen als buffer aanhouden. Vervolgens eist De Nederlandsche Bank dat we minimaal 1,5 maal aan die ratio voldoen. Je wilt niet bij één tegenvaller direct de toezichthouder over de vloer krijgen dus daarom streven wij, net als andere zorgverzekeraars, om tweemaal zo hoge buffers te hebben als de wettelijke ondergrens. Dan is het gevolg, zoals bij ons, dat het eigen vermogen 1,1 miljard euro bedraagt. Dat is waanzinnig veel geld. Maar bij ons gaat er ruim 5,5 miljard per jaar doorheen. Als de inkomsten stilvallen kunnen we twee à drie maanden vooruit. Meer niet. Dat is de reden waarom we buffers nodig hebben. Maar aan dat mechanisme valt wel wat te verbeteren.”

Hoe dan?

„In de zorg wordt gewerkt met factuureenheden die een hele lange doorlooptijd hebben. Minimaal drie jaar. Als je in november naar het ziekenhuis gaat, komt een jaar later de factuur. Vervolgens moet dat verrekend worden met het eigen risico van de verzekerde. Niemand kan dat nog volgen. Aan het eind van het jaar hebben we altijd nog weinig declaraties binnen, dus treffen we een voorziening. Je moet naar een systematiek toe in de zorg dat je net als in het normale leven tussentijds afrekent.”

Wat weerhoudt de sector ervan om sneller met elkaar af te rekenen?

„Dat vergt aanpassing van regelgeving. Wij werken met schadejaren en ziekenhuizen met kalenderjaren. Als een ziekenhuis in 2012 een heup declareert die in 2011 vervangen is, dan is dat voor het ziekenhuis omzet in 2012 terwijl het voor de verzekeraar een uitgave is die aan 2011 moet worden toegerekend. Daarom moeten wij altijd schattingen maken van onze kosten. Voor 2012 is dat een enorm bedrag.”

Hoeveel?

„Dit jaar was het extreem doordat er veel in het stelsel wijzigde. Wij hadden eind vorig jaar tweederde van de facturen niet binnen.”

Surrealistisch. Dus tweederde van uw jaarcijfers over 2012 die u vandaag bekendmaakt is geschat?

„Ja. Maar dat kan dus veranderen. Als we sneller met elkaar afrekenen, zijn er minder onzekerheden, minder buffers nodig, gaat het geld sneller rond en zouden de premies omlaag kunnen. En er is nog een manier om meer geld in de zorg vrij te maken...”

Hoe?

„Iedereen kan op zijn vingers natellen dat er overcapaciteit is in de sector, bij de spoedeisende hulp bijvoorbeeld. Daar betalen we nu allemaal voor, maar het kan efficiënter.”

In Nederland bestaan geen ziekenhuisdirecteuren die denken: ik leid een overbodig ziekenhuis, we gaan de tent sluiten.

„Maar als je nu honderd ziekenhuisdirecteuren in een zaal bijeenroept en je vraagt hoeveel ziekenhuizen er in Nederland nodig zijn, dan is het antwoord: minder dan honderd. En als je dan vraagt: wie sluit zijn ziekenhuis, dan steekt niemand zijn vinger op. Dat is het dilemma waar we in zitten. Wie betaalt de sanering? Degene die saneert moet er wel voor gecompenseerd worden. Dat geld is er nu niet. Wij zouden dat kunnen leveren”

Op welke manier?

„Ons vermogen is belegd, dat doen wij vrij risicoloos, want het is geld van de verzekerden. Dat zit in aandelen en vooral staatsleningen – 1,1 miljard euro die niet naar de zorg gaat, terwijl daar behoefte aan kapitaal is om zaken te saneren. Waarom zouden we niet een deel van die beleggingen in een fonds stoppen? Je hebt zo met de andere verzekeraars een miljard bij elkaar. Onafhankelijk bestuur, een soort compensatiefonds voor sanerende zorginstellingen. Het is premiegeld; dat geld moeten we als buffer hebben, maar wenden we dan aan voor investeringen in de zorg.”

Waarom kunnen verzekeraars niet gewoon minder inkopen? Daar is toch geen fonds voor nodig?

„Het sluiten van de ene afdeling, vergt investeringen op een andere plek. Om het aantal doorverwijzingen naar het ziekenhuis te beperken zijn bijvoorbeeld investeringen nodig bij huisartsposten. Dat verdient zichzelf terug; de kwaliteit wordt hoger, de werkwijze efficiënter – maar zo’n investering gebeurt niet vanzelf.”