Rust is belangrijker dan macht

Over enkele decennia streeft China als economische mogendheid de VS voorbij. Maar China zal geen politieke supermacht worden. Dat durft het niet.

Mijn hemel, krijg je geen genoeg van al die boeken over hoe China de wereld opkoopt en domineert, smaalt Sun Yu (34), een bevriende econoom, als wij in een Shanghaise boekhandel tegen een muur aanlopen van rood gekafte boeken over de „niet te stoppen” opmars van grootmacht China. Als een Chinees die tijdelijk met zijn familie in de VS woont, verbaast hij zich over de alarmistische toon in al die prognoses over de onvermijdelijkheid van China’s opgang en de teloorgang van het Westen.

Woorden als ‘dreiging’ en ‘overheersen’ ontbreken zelden in de titels, in feite varianten op de trendsetter When China rules the world van de Brit Martin Jacques. Maar pal daarnaast ligt sinds kort het nieuwe, verfrissende China goes global, the partial power van de Amerikaanse sinoloog David Shambaugh, waaraan Sun Yu als onderzoeker meegewerkt heeft.

De gerenommeerde Shambaugh vindt dat China zwaar overschat wordt en dat de VS nog weinig te vrezen hebben van China als rivaliserende supermacht. Daarin kan Sun Yu, die voor een internationaal bedrijf in financiële data elke uithoek van het land heeft bezocht en het nu net zo goed kent als de Shanghaise flat waar hij geboren is, zich goed vinden. „Hoe kunnen wij ooit een supermacht worden als wij niet eerst onze eigen problemen oplossen? Wij weten zelf niet eens of wij wel een supermacht willen en kunnen zijn. Wat wil China eigenlijk zelf”, vraagt Sun Yu zich af.

Het is de kern van een internationaal (vooral in de VS, Japan en India gevoerd) debat over het hoofdstuk van de geschiedenis dat de Amerikaanse econoom Larry Summers ooit „het belangrijkste verhaal van het huidige tijdperk” heeft genoemd. China heeft de status van economische supermacht bereikt en zal in de komende decennia (vanaf 2025) ook bij een lagere groei op gelijke voet komen met de VS. Catastrofes voorbehouden, twijfelt niemand daar aan. Alleen over het jaartal wordt getwist.

Nieuwe vragen doemen dus op. Hoe gaat China de geopolitiek beïnvloeden en hoe zal het land zich manifesteren? Wordt China, om met Robert Zoellick (voormalig Amerikaans onderminister van Buitenlandse Zaken) te spreken, een „verantwoordelijke macht” en een „verantwoordelijke aandeelhouder”?

Uit eerste hand weet Sun Yu – wat menig buitenlander na enige tijd in China ook kan constateren – dat zijn land minder angstaanjagend, assertief en bedreigend aanvoelt dan in het buitenland wordt verondersteld. In zijn nieuwe woonstad New York, waar hij in een kantoor met uitzicht op de Hudson rapportages schrijft, moet hij aan zijn bazen van Dow Jones uitleggen dat China up close veel verwarder en onzekerder is dan de kroniekschrijvers van China’s opmars doen voorkomen. Daar kunnen ook karakteriseringen als bozer, overmoediger, jaloerser of egoïstischer aan toegevoegd worden.

Voor de goede orde: Sun Yu is, als iedere Chinees, trots op zijn land en kan de Communistische Partij van China, waarvan zijn vader, arbeider bij Bao Steel, lid is, gloedvol en spottend verdedigen tegen alle westerse kritiek.

Je hoeft inderdaad geen nationalistisch partijlid te zijn om oog te hebben voor het succes van China. Niet eerder in de wereldgeschiedenis heeft een land, of beter een half continent, zich zo snel ontwikkeld tot een economische supermacht. Niet eerder zijn zo snel zo veel mensen uit de armoede getrokken als in China. 650 miljoen in 30 jaar, dixit de Wereldbank. Niet eerder was de wereld getuige van zo’n succesvolle economische koerswijziging als de wending die China inzette met opendeurpolitiek van Deng Xiaoping in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Sun Yu doet in de frequente discussies aan onze eettafel –hij is een van mijn bakens – meestal één concessie aan mij. „Vele jonge Chinezen vinden de censuur op het internet ook bespottelijk en schamen zich daar voor”. Thuis bij zijn ouders in Shanghai kan hij niet zonder hulpmiddelen de Facebook-pagina van zijn vrouw in New York openen of op You Tube filmpjes van zijn vele Chinese vrienden in de VS bekijken.

Het is het meest duidelijke en alledaagse bewijs dat de autoriteiten zich ondanks de objectieve successen hoogst onzeker voelen. De lijst van gedragingen en uitingen die duiden op fundamentele, existentiële onzekerheid is inmiddels langer dan de Grote Muur en laat zich moeilijk rijmen met de Chinese ambities om de hele wereld te laten profiteren van de ‘Chinese Droom’ die door de nieuwe leiders Xi Jinping en Li Keqiang wordt gepropageerd. Die droom, een nogal vaag concept, laat zich samenvatten als welvaart en vrede voor iedereen in China en daarbuiten.

Sun Yu zegt dan ook: „Als econoom en voormalig marxist weet ik dat economische macht uiteindelijk onvermijdelijk ook leidt tot allerlei vormen van politieke macht, ook internationaal. Maar als Chinees onderdaan weet ik dat niet zo zeker, ik weet vooral niet of wij de verantwoordelijkheid die een supermacht per definitie heeft, kunnen en willen dragen. Zijn wij daartoe al in staat? Ik denk het niet”.

Ook in China zelf wordt opmerkelijk openhartig gedebatteerd over de rol die China in de VN, en de talrijke andere internationale organisaties waar het land lid van is, moet spelen. Aan de grote Chinese universiteiten, in de denktanks en op de partijscholen staan realisten tegenover sceptici, nationalisten tegenover multilateralisten en linkse neomaoïsten tegenover liberale markthervormers.

De censuur zorgt ervoor dat zittende leiders en hun beleid niet rechtstreeks aangevallen kunnen worden, maar voor de rest kan alles gezegd en geschreven worden. Dat versterkt het beeld van een land op zoek naar een passende rol in de veranderende wereldorde.

In het westen is de belangrijkste tegenstelling – realisten versus sceptici – ook duidelijk zichtbaar. Realisten zijn Kissinger (On China) en Jacques (When China rules the world), sceptici zijn Shambaugh (China goes global) en Luttwak (The rise of China versus the logic of strategy).

Realisten voorspellen een onvermijdelijk conflict met een verrezen en machtig China. Realisten zeggen dat er nu alles op alles gezet moet worden om China te integreren in de wereldorde zodat toekomstige conflicten aan de onderhandelingstafel en niet op slagvelden op zee of in de (digitale) ruimte worden beslist. „Is het mogelijk om een echt partnerschap te ontwikkelen met China en daarmee een wereldorde gebaseerd op samenwerking? Kunnen China en de VS werkelijk strategisch vertrouwen ontwikkelen? Ja, en zij zijn daartoe ook verplicht”, aldus Kissinger.

Sceptici zien wel dat China economisch een supermacht is, maar menen dat het nog vele decennia zal duren voordat China een rivaal is voor de VS/Europa en Japan. Voor die stelling heeft het verrassende onderzoek van Shambaugh nu een nieuw argument geleverd: de mondiale „economische voetafdruk” van China blijkt namelijk lichter dan verondersteld.

Natuurlijk, China is een handelssupermacht, de werkplaats van de wereld, de afzetmarkt waar ieder bedrijf wil zijn. Maar dat is niet het volledige verhaal. Ondanks de enorme investeringen in innovatie levert China nog steeds geen nieuwe vindingen op. En Chinese multinationals willen maar geen internationale merken worden, misschien op Huawei (in de it-sector) en Haier (elektronica) na.

China is in de grondstoffenwereld een grootmacht, maar moet wel alles kopen tegen marktprijzen. Op een continent als Afrika nemen de anti-Chinese sentimenten toe en in Latijns-Amerika is er buiten de mijnindustrieën weinig van Chinese invloeden te merken.

De Chinese invloed in de 150 internationale organisaties is ook beperkt. Chinese diplomaten dragen zelden (creatieve) oplossingen aan. Integendeel zelfs. Het meest in het oog lopende voorbeeld is de kwestie Noord-Korea, een steeds riskanter probleem dat China min of meer negeert door het regime in Pyongyang zonder meer te blijven beschermen.

China probeert met publieksdiplomatie het internationale discours en het slechte buitenlandse imago te beïnvloeden, maar noch zijn economische noch zijn politieke model is voor de rest van de wereld een voorbeeld.

Miljarden euro’s spendeert China aan soft diplomacy. Tegelijkertijd drijft het de spanning in de Oost- en Zuid-Chinese Zeeën op en gaat een zachtaardige dissident als Liu Xiaobo, de Nobelprijswinnaar voor de Vrede, jaren de cel in. „Van China gaat geen voorbeeldwerking uit, ook cultureel niet. En dat is een voorwaarde om supermacht te zijn”, aldus Shambaugh.

Militair gezien is China vergeleken met de VS nog steeds een dwerg, stelt Edward Luttwak van het Center for Strategic Studies vast. Buiten het eigen territorium is China machteloos, ook tegenover Japan dat over een geduchte marine beschikt. Mondiaal kan China geen „harde macht” uitoefenen zoals de VS, omdat het nog niet beschikt over de capaciteit op zee en in de lucht. Uitzonderingen vormen de ballistische raketten, de ruimte en cyberspace. Daar staan China en Amerika wel op gelijke voet als het op een oorlog aankomt.

Noem tijdens de vele internationale crises van de afgelopen drie jaar er één waar China niet afwachtend aan de zijlijn stond te kijken in welke richting de Amerikanen, de Russen of de Europeanen de bal zouden schoppen. Enge definities van het eigenbelang en het heilige principe van non-interventie in de binnenlandse politiek van andere landen hebben een verlammende werking. De Chinese diplomatie stelt zich meestal passief op, tenzij er nationale issues (Taiwan, Tibet) in het geding zijn.

Behalve in het non-interventiebeginsel schuilt de verklaring voor deze Chinese inertie ook in een diepgeworteld wantrouwen tegen de internationale, multilaterale orde (VN en andere organisaties) die door de VS wordt gedomineerd en daarom wordt gezien als een westers/liberaal instrument om de opmars van China te beperken en te controleren.

De opmars van China afremmen staat in het Chinese denken gelijk aan de ondermijning van de communistische partij. Voeg daarbij de groei van het hypernationalisme, de overgevoeligheid voor kritiek en de onzekerheid over de voortbestaan van de partij en het is duidelijk waarom China nog maar een partiële supermacht is en dat zo wil houden.

„Eigenlijk willen we het liefst alleen en met rust gelaten worden. Dat is een diep geworteld, historisch verlangen. Wij vallen niemand lastig, bemoei je niet met ons. Dat is de mentaliteit”, erkent Sun Yu. Het punt is natuurlijk dat het Land van het Midden, zoals China in het Mandarijn heet, dankzij het eigen succes niet in schone afzondering zijn eigen gang kan blijven gaan. Afzijdig blijven is niet langer een optie. Dat besef begint door te dringen.