Jonge, domme, overmoedige tijgers

Redacteur wetenschap

Een klein legertje vleeseters sprong 10 miljoen jaar geleden een diepe grot in, de dood tegemoet. De dieren, waaronder veertig sabeltandtijgers, werden aangetrokken door de geur van rottende kadavers op de bodem van de grot. De wanden waren echter zo steil, dat ze er niet meer uit konden klimmen. De vleeseters stierven een hongerdood, aan vergiftiging, onderkoeling of aan de val zelf. Spaanse onderzoekers hebben inmiddels duizenden beenderen gevonden in de grot van tenminste 81 verschillende dieren. Mijnwerkers stuitten begin jaren 90 bij toeval op de ‘grot des doods’ die op 30 kilometer van Madrid ligt.

Onder de onfortuinlijke vleeseters waren maarliefst veertig sabeltandtijgers. Andere beenderen kwamen van hyena’s, marters, stinkdieren, verwanten van de kleine panda en een uitgestorven soort beerhonden. Planteneters waren er een stuk minder: een paard, twee neushoorns en een paar herten. Spaanse paleontologen publiceerden vorige week een verklaring voor de uitzonderlijke hoeveelheid vleeseterbeenderen in de grot, in PLOS ONE.

Het is niet waarschijnlijk dat de botten de grot zijn ingespoeld, daarvoor waren ze te intact. Ook ging het wellicht niet om een sabeltandtijgerhol, dan zouden er meer afgekloven beentjes en welpen moeten liggen. De meeste tijgers waren juist ‘jonge volwassenen’. De paleontologen denken dat ze zelf de grot ingesprongen zijn, misschien nadat er een neushoorn ingevallen was. Waarschijnlijk waren de katten niet zo lang zelfstandig en waren het onervaren jagers.