Een Bengaalse fabriek legt de draden van de wereld bloot

Door de krant lopen verhaallijnen die soms bijna onmerkbaar samenhangen. Neem de ramp in Savar, de buitenwijk van de Bengaalse hoofdstad Dhaka waar eind vorige maand een fabrieksgebouw instortte waar kleding werd gemaakt voor de westerse markt. Dit weekeinde is het 600ste lijk geborgen. De onder het puin bedolven doden zijn veelal jonge vrouwen. De woede in Bangladesh is groot. Bijna dagelijks botsen betogers met de politie. In het Westen groeit door de ramp de gevoeligheid van consumenten voor de omstandigheden waarin hun goedkope kleren worden geproduceerd. (Maartje Somers vergelijkt de Bengaalse toestanden in deze De Wereld met de misstanden in het Europa van de negentiende eeuw tijdens de Industriële Revolutie. Lees Dickens en je herkent Bangladesh.)

De komende weken zal de geglobaliseerde kledingindustrie vaker aandacht krijgen. Maar niet elke dag zal de vraag naar voren komen wat de productie onder erbarmelijke omstandigheden in Bangladesh te maken heeft met de verkiezingen die dit weekeinde plaatshadden in een ander deel van Azië, Maleisië.

Die verkiezingen waren spannender dan ooit. En dat is niet zonder betekenis. Nadat oppositieleider Anwar Ibrahim in 2008 meer stemmen had getrokken dan verwacht, werd hij strafrechtelijk vervolgd. Hij zou een man hebben verkracht. Pas vorig jaar werd hij vrijgesproken. Het stempeltje ‘ooit in verband gebracht met homoseksualiteit’ had zijn pleidooi voor tolerantie riskant kunnen maken. Maar de Maleisische kiezer trok zich daar dit weekeinde kennelijk niets van aan.

Democratische vooruitgang en onstuimige economische groei hangen samen, zegt de Singaporese intellectueel en ex-diplomaat Kishore Mahbubani in deze De Wereld in een gesprek met Zuid-Oost Azië-correspondent Melle Garschagen. De middenklasse die de komende jaren met meer dan een miljard Aziaten zal groeien, vindt op een gegeven moment inspraak belangrijker dan een tweede auto, zegt Mahbubani. Dat geldt in Maleisië, maar ook bijvoorbeeld in China, waar misstanden vergelijkbaar met die in Bangladesh steeds vaker leiden tot protest van werknemers.

Mahbubani weet dezer dagen opnieuw een wereldwijd publiek te bereiken met een boek over de onderschatting van Azië door het rijke Westen, na zijn New Asian Hemisphere uit 2008. In The Great Convergence (vertaald als ‘Naar één Wereld’) maant hij Amerika en Europa nu tot meer samenwerking met Aziatische landen in internationale verbanden, zodat gedeelde standaarden het straks winnen van ruige concurrentie en machtstrijd. Het is in zijn ogen de enige manier om het almaar groeiende China, dat ook in Zuid-Oost Azië wordt gevreesd, in toom te houden. China-correspondent Oscar Garschagen stelt daar tegenover dat China, ondanks zijn economische macht, nog lang niet klaar is voor een actievere internationale rol. Maar uiteindelijk zit China evenzeer als de westerse consument verstrikt in de wereldwijde draden die even zichtbaar werden door een ingestort Bengaalse fabrieksgebouw.