De Boer

De punt van de stok gleed heen en weer over het trottoir van de Gran Via. Ik zat aan het ontbijt op het terras van café-restaurant Guito en keek naar de motoriek van een blinde man. Het verkeer over een van de drukste wegen van Barcelona raasde voorbij. Feyenoord verloren? Dat verlies moet ik wegspoelen

De punt van de stok gleed heen en weer over het trottoir van de Gran Via. Ik zat aan het ontbijt op het terras van café-restaurant Guito en keek naar de motoriek van een blinde man. Het verkeer over een van de drukste wegen van Barcelona raasde voorbij.

Feyenoord verloren? Dat verlies moet ik wegspoelen

Het meisje van de bediening zette een cortado en een croissant op tafel. Ze knikte vriendelijk. Zou ze me herkend hebben? Ik was hier al eerder, doordeweeks, toen de zaak vol zat met Barça-supporters die heilig geloofden in een overwinning op Bayern München.

Totdat Arjen Robben scoorde.

De blinde man stond nog steeds op het trottoir. Ik twijfelde of ik moest toesnellen. Maar hulpeloos leek hij allerminst. Misschien wilde de man rustig stilstaan in het zonnetje. Ik betaalde en vertrok.

In het metrostation Urquinaona stond op het perron een lange jongen in een afgedragen Ajaxshirt. Het was nog te vroeg om een feestje te vieren. De kampioenswedstrijd in Amsterdam moest nog beginnen.

Ik slenterde door de gotische wijk. Op elke straathoek was wel een shirt van Barcelona te koop. De meeste winkels hingen het model met de magische letters Messi achterop aan het voorste knaapje.

Zouden Barça-shirts met De Boer op de rug destijds gretig aftrek hebben gevonden? De voetballer Frank de Boer was verdediger. Verdedigers zijn minder populair bij de jeugd dan aanvallers. De Boer is de eerste om het toe te geven.

Na een paar uur ronddolen liep ik in de Caller de la Ciutat een klein restaurant binnen. In Nederland moesten de wedstrijden bijna afgelopen zijn. De muren waren dik, er was nauwelijks bereik. Pas na een tijdje verscheen er een verse tweet op mijn telefoon, van filmregisseur en Ajax-watcher Martin Koolhoven.

„32.”

Alleen maar de melding van het aantal behaalde landskampioenschappen van de Amsterdamse club. Stijlvol. Ajax had het verdiend. Even later schreef de cineast: „Jammer dat Feyenoord het verkloot. Gunde hun de tweede plaats wel.”

Feyenoord verloren? Dat verlies moest ik even wegspoelen, al was van groot verdriet geen sprake. Witte wijn. Daarna kroketjes met gamba’s, Catalaanse kazen en vooruit, een cheese cake van het huis toe.

Zo. Vergeten.

Feyenoord had een fijn, jong ploegje in opbouw, met een realistische trainer en een clubkas waar men weer in durfde kijken. Kritiek op mijn club? Ja, te laconiek in uitpotjes en bankzitters om van te gaan huilen.

Ik vroeg de ober om la cuenta. Hij gaf de kassabon en zei: „Astoeblief, de rekeling.”

Was Barcelona een stad voor Frank de Boer om ooit coach te worden? Ach, hij moest eerst nog maar lekker een paar jaar in Amsterdam blijven. Daar was hij zelf ook al lang achter. Voor dat besluit had hij mij niet nodig. Niemand eigenlijk. Geen bestuur, geen aanvoerder, geen broer.

In mijn hotelkamer zag ik op mijn laptop hoe hij in de kleedkamer van Ajax met de spelers in bad stapte. Het water spatte in zijn gezicht. Hij wreef als een jongetje langdurig in zijn ogen. De Boer zag geen steek, maar hij bleef rustig, net zoals in het afgelopen seizoen.

Daarna kon de dans met de schaal beginnen.