Column

Aan het IJ

Amsterdam wordt aan het IJ steeds mooier. De noordelijke oever, met Eye als magneet, is er een voorbeeld van, maar ook de zuidelijke oever wordt ten westen van het Centraal Station aantrekkelijker. Daar bevindt zich sinds kort zelfs een van de beste uitzichtpunten van de stad. Ik speel even de stadsgids.

Ga, komend vanaf de Haarlemmerstraat, eerst de Han Lammersbrug naar het Westerdokseiland over, een steil, ijzeren stiefbroertje van de veel majestueuzere Jan Schaeferbrug ten oosten van het station; verschil tussen oud-wethouders van Amsterdam moet er zijn. Sla rechts af en steek de Westerdijk over. Loop naar het nieuwe Paleis van Justitie aan het IJ, een uit twee gebouwen bestaand complex, zó schitterend gelegen dat het bijna een genot moet zijn om daar door het gerechtshof te worden berecht.

Blijf onder de overkapping bij de ingang staan en loop naar de rand van het voorpleintje aan het IJ.

Er ontvouwt zich een panoramisch uitzicht van zeldzame allure. Rechts en dichtbij het gebouw van de Kamer van Koophandel, in het midden het Centraal Station en naar links over het IJ de oude Shell-toren en Eye.

Als dan ook nog de zon op het IJ en de pruttelende sleepboten schijnt, is het alsof je God in Zijn baard hoort mompelen dat het zo bedoeld was.

Maar we zijn er nog niet! Uw stadsgids is een vrijwilliger die niets liever doet dan geeuwende toeristen rondleiden tot ze erbij neervallen.

Draai u dus van het water af, hoe moeilijk u dit ook zal vallen, en loop tussen de gebouwen van het Paleis van Justitie door. Het is er kil en winderig, zoals altijd tussen hoge gebouwen. Links verrijst een nieuw hotel (Aitana), rechts staat een appartementengebouw met uitzicht op het IJ. Een trap voert hier omlaag naar het water, waar ooit net zo’n bankje moet komen te staan als in Woody Allens Manhattan, zodat je er met je geliefde kunt neerstrijken.

Die trap heeft 26 treden. Ik heb ze geteld omdat toen ik daar rondliep – op een kraakheldere, zonnige zondagmorgen – een groepje mensen er onder de professionele leiding van een atletische, kaalhoofdige reus aan het trainen was. Ze waren in een drafje naar het Paleis van Justitie gehold, hadden daar wat buig- en strekoefeningen gedaan en moesten zich nu onderwerpen aan het betere beulswerk. Ze kregen het commando om op handen en voeten als menselijke kikkers de trap af te dalen en weer op te klimmen – en dat tot tweemaal toe. Dit was geen afzien meer, dit was lijden.

Daarna moesten ze zich optrekken aan een ijzeren hekwerk tegen een gevel op de eerste verdieping. De deelnemers waren vooral stevige mannen, maar er was ook een frêle, blond meisje bij dat van vermoeidheid bijna onder het plaveisel verdween. Moest zij zich ook nog optrekken?

Jazeker, de kale beul stond erop. Maar hij was wel zo vriendelijk om haar voorzichtig iets op te tillen en vast te houden, terwijl ze krachteloos het hek omarmde.

Doodsangst vermomd als lichaamsoefening.

Ik liep door in noordelijke richting, langs de Westerdijk, waar ik op een bord stuitte van Wagelaar BV met de tekst: ,”Hier werken wij aan het koninklijk riool.”

Sinds wanneer bestaan er koninklijke riolen?

Even verderop streek ik neer op het terras van een nieuw restaurant, Nevy. De baas stond de boel schoon te spuiten, voor een kop koffie was het nog te vroeg, maar dat deed geen afbreuk aan het uitzicht op het IJ: nog koninklijker dan een riool.