Vlaamse schrijvers hekelen de media: college of cafépraat?

Hebben schrijvers verstand van journalistiek?

Honderd leden van de Belgische schrijversclub PEN Vlaanderen hebben zich op 3 mei, de dag van de persvrijheid, in een bezorgde petitie uitgesproken tegen het verval van de Vlaamse journalistiek. Die is volgens hen ten prooi aan commercie en vervlakking, en de lezer of kijker is de dupe. Onder de ondertekenaars ook in Nederland bekende schrijvers en publicisten zoals Geert van Istendael, Stefan Hertmans, David van Reybrouck (Congo), Bart Moeyaert, Benno Barnard, Kristien Hemmerechts, Annelies Verbeke en anderen.

In hun brandbrief signaleren de honderd dat de media ,,in toenemende mate hun persvrijheid zélf aan het uithollen zijn.’’ En hoe komt dat? De reden is, volgens de schrijvers, ,,eenvoudig’’:

Overal in het Westen kampen commerciële media met dalende inkomsten - consumenten keren zich naar gratis nieuws, adverteerders haken af - en die verliezen moeten gecompenseerd worden met steeds spannender verhalen, dramatischer conflicten en heftiger verslaggeving, opgesteld door steeds kleinere en goedkopere redacties die onder steeds grotere tijdsdruk moeten presteren.

Het is een bekend geluid: de genadeloze strijd om lezers, kijkers en adverteerders zou ten koste gaan van variatie en kwaliteit. Ook in Nederland is dat wel te horen. Getuige het succes van de mediakritische boeken van Joris Luyendijk en Rob Wijnberg is er inmiddels ook een behoorlijke markt voor.

De actie van de Vlaamse schrijvers roept ook herinneringen op aan de oproep van toenmalig premier Jan Peter Balkenende in 2006 aan Nederlandse schrijvers om zich meer te mengen in het publieke debat. Weet u nog?

Balkenende deed dat in een open brief aan Harry Mulisch, die trouwens niet reageerde, want, zei hij, ,,daar ben ik te beroerd voor’’. een columnist in Elsevier vond dat trouwens maar goed ook: oud-Cuba-ganger Mulisch kon er beter buiten blijven.

Terug naar Vlaanderen.

Volgens de Belgische schrijvers is het allemaal nog veel erger, want volgens hen staat zo langzamerhand ,,de vrije pers’’ op het spel:

Bijna alle massamedia in Vlaanderen (kranten, radiostations, televisiezenders) zijn commerciële media: hun primaire logica is die van de kijkcijfers, de verkoopsaantallen, de luisterdichtheid of de unieke geregistreerde gebruikers. Door het eigen marktaandeel systematisch boven het algemeen belang te plaatsen, geraakt de persvrijheid allengs in de verdrukking. De vrije markt versmoort zo stilaan het vrije woord.

Daarmee wordt het pamflet niet alleen een kritiek op de journalistiek, maar ook een politieke aanval op de moderne markteconomie. En schrijvers zouden geen schrijvers zijn, als ze daarin niet een paradox zagen:

Ziehier de paradox: de crisis van de afgelopen jaren maakt een vrije kwaliteitspers meer dan ooit noodzakelijk, maar meer dan ooit zien we hoezeer die pers deel is van de crisis. Zij bericht niet enkel over het roekeloze casinokapitalisme, maar neemt eraan deel. Net zoals de banken zich in de vernieling hebben gereden door blindelings een marktlogica te volgen, zo zijn de media zichzelf aan het verwoesten door cijfers te laten primeren op relevantie.

Hoe moet het dan wel, dames en heren? Nu, zo:

Inzetten op diepgravende journalistiek loont. TIME publiceerde in maart een dossier van maar liefst 36 pagina’s over de Amerikaanse gezondheidszorg. Dat zorgde voor de beste verkoop in twee jaar en 16 keer meer digitale verkoop dan anders. Dichter bij huis is het fenomenale succes van De Correspondent - 19.000 mensen die 60 euro storten voor een ernstig medium - een inspirerend voorbeeld. Het bewijst dat veel mensen serieus willen worden genomen door de media, het verraadt een verlangen naar journalistiek die de waan van de dag overstijgt.

En, meer algemeen, pleiten de schrijvers van PEN Vlaanderen voor:

1. meer onderzoeksjournalistiek, minder steekvlamjournalistiek
2. meer duiding (kaarten, dossiers, infographics, achtergronden), minder opiniëring (columns, tweets, polls)
3. meer buitenland- en Europaberichtgeving, minder tunnelvisie op Wetstraat: de macht is verschoven
4. meer zelfregulering (factchecking, ombudsman), minder aversie voor externe kritiek
5. meer inzicht in reële conflicten, minder opkloppen van futiele conflicten

Over hun noodkreet is inmiddels enig rumoer ontstaan, zoals in deze tv-discussie. Politiek redacteur Bert Brinckman van De Standaard bekritiseert het pamflet daarin als nostalgische onzin. Lezers krijgen nu méér dan vroeger, en zeker niet van mindere kwaliteit. Zijn opponent Walter Zinzen, een oud-journalist en ondetekenaar van de petitie, geeft wel toe dat er meer aanbod is, maar.. – enfin, kijkt u zelf, het is een aardig twistgesprek.

Ook mijn collega bij De Standaard, ombudsman (én schrijver) Tom Naegels, heeft zich in de discussie gemengd. Zijn oordeel over de preambule van de petitie is vernietigend. Het is een ,,slecht voorbeeld van wat mediakritiek zou kunnen zijn” en ,,cafékritiek voor intellectuelen”, zegt hij hier. En op Facebook schrijft hij:

Het is een slordige analyse, beste mensen van PEN. Als journalisten uit de mainstream media ze zouden maken, zouden ze terecht op hun neus krijgen.

Naegels geeft de schrijvers dan ook behoorlijk op hun neus. Bijvoorbeeld over de klacht dat de media onder druk van de commercie ,,steeds spannender verhalen’’ brengen:

Het is een weerkerend verhaal, dat veel mediacritici onderschrijven, dat spoort met andere overtuigingen die intellectuelen vaak koesteren, en dat daarom aannemelijk klinkt. Het probleem is dat het nooit aangetoond wordt. [..] Kun je mij een corpus voorleggen van artikels uit pakweg 1995, en reportages uit 2012, waaruit dat blijkt?

En over de voorbeelden hoe het wel moet:

Dus we krijgen TWEE voorbeelden van “hoe het anders kan”, waarvan er één virtueel is (De Correspondent heeft nog niets getoond), en het andere afkomstig is van een van de oudste nieuwsmerken ter wereld. Kom zeg.

Niettemin onderschrijft Naegels dan weer wél die vier algemene wensen van de auteurs, al plaatst hij ze in een wat ander, minder cultuurpessimistisch daglicht.

‘Steekvlamjournalistiek’ is een probleem, al geloof ik dat er daar eerder een massapsychologische en professioneel-culturele verklaring voor moet gegeven worden, dan een economische. Mensen in het algemeen hebben de neiging elkaar achterna te hollen en over hetzelfde onderwerp te beginnen vertellen, zeker als dat onderwerp emotioneel geladen is.

Onlangs nog bekritiseerde hij zijn eigen krant, omdat die een steekvlam had geproduceerd over de opmerking van de Antwerpse burgemeester dat ambtenaren achter het loket geen homo-t-shirts mogen dragen; zie mijn blog daarover.

Over de wens van meer buitenland- en Europaberichtgeving schrijft hij: ,,Ik denk dat dat klopt, en dat dat een terecht advies is.” Ook hier lijkt vooral intellectueel snobisme hem tegen te staan:

Ik kan wel vinden dat mijn onderwerp heel belangrijk is, maar ik moet ervoor zorgen dat genoeg mensen mijn mening delen. Als mensen sneller geboeid raken door een regionale politieke kwestie, en het supranationale niveau hen niet raakt, dan moet je je daar niet bij neerleggen, maar het maakt het wel moeilijk om er iedere dag dertig bladzijden aan te wijden, bij wijze van spreken.

Ik schaar me vooralsnog achter, of naast Naegels (sinds het Koningslied is het even zoeken). Althans, ook ik vind de vier wensen van de PEN-auteurs sympathieker én overtuigender dan hun algehele diagnose. Die is te grof: ja, er is allerlei mediakritiek mogelijk, zelfs noodzakelijk, maar die bewijs je geen dienst door te beweren dat het niks is, of één en al slaafse commercie, met de media - en de schuld te leggen bij ‘de markt’.

Aan de andere kant, een pamflet is ook geen wetenschappelijk stuk. En hun verklaring afdoen als louter de zoveelste rituele klacht van ‘vervreemde’ intellectuelen is te gemakkelijk. Dat vroeger alles echt niet beter was, betekent nog niet dat niks nu slechter kan zijn.

Wat vindt u? Hebben de Vlaamse schrijvers een punt - en zoja, welk?

En wat zou J.P. Balkenende vinden?

    • Sjoerd de Jong