Zou de gedachtepolitie ook even stil willen zijn in de aanloop naar 4 mei?

Begraafplaats Duitse militairen. Beeld NOS

Oorlogen ontstaan en duren voort omdat mensen elkaar gedachteloos volgen. Op 4 mei, klokslag 20.00 uur, worden we te midden van de menigte even teruggeworpen op onszelf. Even mogen we zelf bepalen hoe we de menselijke verschrikking een plaats geven. Een vrijheid van denken die helaas onder druk staat.

Na de incidenten van de afgelopen jaren (het betrekken van Duitsers, de voordracht van een NSB-zoon, het scholierengedicht over een ‘Foute Keuze’), klinkt nu de roep om de herdenking op 4 mei te beperken tot enkel de slachtoffers van de vervolgingen in de Tweede Wereldoorlog. Pleidooien daartoe van schrijver Adriaan van Dis en Hans Vuijsje, directeur van Stichting Joods Maatschappelijk Werk, kregen afgelopen week veel bijval. ‘Wie alles herdenkt, herdenkt niets meer’, beaamde een oud-verzetsstrijder.

Begrijpelijke uitingen, maar wel met een averechts effect. Versmalling maakt van de Holocaust een voetnoot in de geschiedenis, terwijl het een moreel ijkpunt zou moeten zijn: ‘Dat nooit meer.’ Hoe scherper de focus op de feitelijke gebeurtenissen, hoe lastiger ik mijn moreel kan ijken aan het nulpunt van het nazisme. Ik zie dan zwart-wit-beelden van opgestapelde lichamen, een schreeuwende dictator met een maf snorretje en nare propaganda waarin mensen met ratten worden vergeleken. Het absolute morele dieptepunt, dat zeker, maar ook onwerkelijk. Doet het me echt wat? Nee. Het kost me evenveel moeite om die pijn te voelen als te ervaren hoe het is om nu in Somalië te verhongeren.

Justin Bieber liet hart van Anne Frank weer kloppen

Ik weet niet hoe het is om vervolgd te worden, ik weet niet hoe het is om roerloos achter een kast te moeten zitten en eerlijk gezegd heb ik nog nooit een traan gelaten om de zes miljoen Joden. Zelfs niet toen ik als 14-jarige scholier het Anne Frank Huis bezocht. Ja, het was aangrijpend, maar niet aangrijpender dan een heel droevige film. Als ik alleen aan WOII-slachtoffers moet denken, zoals een aantal Joodse organisaties wil, dan zou ik twee minuten lang in mijn hoofd ‘wat erg’ reciteren zonder te ervaren wat het betekende.

Wat het betekende leer ik niet van Joden die om het minste of geringste ‘antisemiet’ kraaien. Die claim op het slachtofferschap, hoe begrijpelijk ook, werkt alles behalve preventief. Het versimpelt in mijn ogen de complexiteit waarin mensen destijds besloten het verzet in te gaan, NSB’er te worden, hun huis beschikbaar te stellen als onderduikadres, de buren te verraden, bevelen op te volgen of instructies te weigeren.

Wat het betekende leer ik wel van Justin Bieber. “Anne was een fantastisch meisje, ik hoop dat ze een belieber was geweest”, schreef de immens populaire zanger op 13 april in het gastenboek van het Anne Frank Huis. ‘Belieber’ is jargon voor Bieber-fan, een woordje waarmee de 19-jarige popster het hart van de iconische Anne Frank weer even liet kloppen. Een tienermeisje dat doodsangsten uitstond terwijl leeftijdsgenootjes van een andere etniciteit dansten op de muziek van de Biebers van toen. Blinde, aangeleerde haat van volwassen mensen vermoordde dat soort kinderlijke onschuld.

Dankzij Bieber ging Anne Frank weer even leven onder honderdduizenden jongeren. Daar kan geen gewichtig opiniestuk in een krant of een tirade in een actualiteitenrubriek tegenop. Iedereen die herdenken belangrijk vindt zou Justin Bieber dankbaar moeten zijn. Als jongere begreep hij Anne Frank beter dan ik jaren geleden, toen ik met een schoolopdracht ronddwaalde in het museum aan de Prinsengracht.

Herdenken is voor mij hard nadenken

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei schrijft voor dat we iedereen herdenken die “sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties” is omgekomen of vermoord. Gezien de oorlogen die we de afgelopen decennia hebben gehad is dat al best algemeen. Te algemeen, vindt de één. Nog steeds te smal, zegt de ander, want er is geen plaats voor verzoening. Een discussie die is verworden tot een jaarlijks, terugkerend ritueel. Een ongemakkelijke wedstrijd in slachtofferisme.

Het doet me weinig, de discussie staat te ver af van mijn beleving. En dat terwijl het gedachteproces dat geleid heeft tot de Holocaust razend actueel is. Misschien kan ik me daarom wel beter identificeren met de daders, waaronder ik ook de mensen schaar die niets deden. Gewone burgers die op een cruciaal moment te laf waren om zich uit te spreken of hun Joodse medeburgers een veilig onderkomen aan te bieden. Hoe sterk moet je zijn om in de moeilijkste omstandigheden medemensen te verdedigen? Hoe moet je denken om de signalen van naderende mensenrechtenschendingen aan te zien komen? Ben ik een haar beter dan de meelopers van toen?

Herdenken is voor mij het overpeinzen van het menselijk tekort, het besef dat de klootzakken van WOII niet zo geboren, maar zo geworden zijn. Dat ik ook zo kan worden. Dat ik ook bevangen kan worden door blinde haat. En dat ik dat niet wil.

Hoeveel incidenten met moslims kan ik bijvoorbeeld nog verdragen voordat ik ze allemaal het land uitwens? In hoeverre verschilt die gedachte van de overtuiging die NSB’ers hadden? Wat betekent het als een politicus een religie wegzet als een ziekte? Haal ik mijn schouders op of ga ik ertegen in?

Herdenken is voor mij hard nadenken. Overpeinzen, schamen, vrezen, eren. Daar kan ik geen gedachtepolitie bij gebruiken, wel stilte. Ook in de dagen vooraf als het even kan.

Volg de auteur op Twitter