Verlichting als vergissing

Marijn Kruk (1971) ontmoette Heldring op diens 85ste verjaardagfeest. Ze bleven schrijven.

Ruim voor zijn dood kon J.L. Heldring zich verheugen in een onvermoede populariteit. Toen hij vorig jaar afscheid nam als columnist, drukten bijna alle kranten en weekbladen een interview met hem af. In 2011 was hij zelfs te gast bij het populaire Vara-programma De Wereld Draait Door.

Dat is opmerkelijk voor wie bedenkt dat in de jaren zeventig de communis opinio was dat Heldring ‘niet deugde’: veel te rechts. Nu wordt hij opgevoerd als baken van redelijkheid en gematigdheid.

„Conservatisme is de tegenpool van populisme”, schreef hij me in 2010. Zou hij – de conservatief – daarom zo populair zijn bij een intelligentsia die hem ooit verfoeide? De tijden veranderen, maar Heldring niet. Hij bleef wie hij was : analytisch, helder, soms dwars en altijd wars van modieus gewauwel.

Ik ontmoette Heldring voor het eerst in 2003 tijdens een avond ter ere van zijn 85ste verjaardag in De Rode Hoed in Amsterdam. Eerder dat jaar was mijn doctoraalscriptie over Alexis de Tocqueville gepubliceerd. Lang voordat de auteur van De la démocratie en Amérique binnen het Nederlandse politieke en intellectuele discours gemeengoed zou worden.

Ik stuurde Heldring een exemplaar. Hij was, zo wist ik, al jaren fan. Hij schreef een kort, maar hartelijk bedankbriefje. Daar leek het bij te blijven. Tot de donderdag dat ik bij een oude studievriend ging eten en hij open deed met NRC Handelsblad van die middag in de hand. „Heldring citeert je!”

In zijn column ‘Onmisbare schijnheiligheid’, stond Heldring stil bij Tocquevilles ideaal van ordelijke vrijheid en de belangrijke rol die de religie daar naar zijn idee bij te vervullen had. En passant citeerde hij hele passages uit mijn scriptie.

Dat heeft veel voor me betekend. Zeker toen Heldring me later nog eens vaker zou citeren. Het was eervol, zeker, maar nog meer voelde het als een verantwoordelijkheid. Vanaf nu had de grote J.L. Heldring me in het vizier. Ik mocht niet verzaken.

In 2004 verhuisde ik naar Parijs. Aan de Ecole des hautes études en sciences sociales deed ik onderzoek naar het Franse liberalisme en in het bijzonder naar de cercle rond de in 1983 overleden socioloog Raymond Aron. Parijs was de buitenlandse stad die Heldring het beste kende, schreef hij me. Tot hij slechter ter been werd, streefde hij ernaar om minstens één keer per jaar de stad te bezoeken. Mijn project deed hem denken aan de periode dat hij zelf in Parijs studeerde, in het voorjaar van 1938.

Heldring beschouwde Aron als een van zijn weinige voorbeelden. „Aron kon zaken op zo'n buitengewoon lucide wijze samenvatten, dat ik vaak dacht: ‘god, dat ik daar nooit zelf opgekomen ben’”, zei hij in een interview met deze krant.

Allebei lieten ze waarheidsstreven prevaleren boven een al te boude mening. Waarheid was het doel, koele analyse het middel. Feilloos ontmaskerden ze idealistische dagdromerij. „Aron,” stelde Heldring bewonderend, „schreef eens dat mensen die bereid zijn om te sterven voor een ideaal, zeker bereid zijn om een ander te laten sterven voor dat ideaal. Heel eenvoudig. Heel treffend.”

Net als Heldring zelf was Aron decennialang actief als columnist. En net als Heldring was hij zich bewust van de gevaren van dat metier: wie alleen maar journalistiek bedrijft, loopt het gevaar de lange termijn uit het oog te verliezen, de essentiële vragen, zo onderstreepte Aron in Le Spectateur engagé uit 1981.

Aron wapende zich hiertegen door zich ’s ochtends te wijden aan wat hij ‘le travail serieux’ noemde, het academische werk. Heldring miste die dimensie en dat frustreerde hem soms.

Eind 2009 stuurde ik Heldring een exemplaar van mijn boek over het hedendaagse Parijse intellectuele leven. Aanvankelijke reageerde hij zuinigjes. Werd er na Aron in Parijs eigenlijk nog wel nagedacht? Maar na lezing draaide hij bij. Dat interview met Marcel Gauchet, ja, dat was van een „weldadige nuchterheid”.

Ik stuurde hem daarna ook een exemplaar van Gauchets La Condition Historique. „Ik zucht bij elk boek dat mij toegestuurd wordt,” vertrouwde Heldring mij toe. „Maar ja, ik heb voedsel voor mijn rubriek nodig.”

Toch viel ook Gauchet uiteindelijk tegen. Na afloop van een boekpresentatie, waar ik enige tijd later gelegenheid kreeg uitvoerig met hem te spreken, deed Heldring het boek af als „wazig”. Zijn eis tot helderheid, tot clarté, was minstens even kenmerkend als de notie van het menselijk tekort en de daaruit voortvloeiende sceptische levenshouding.

In latere brieven repte hij van zijn groeiende overtuiging dat het tijdperk van de Verlichting, „waar we allemaal kinderen van zijn”, aan het aflopen was. „Berust de Verlichting niet op een vergissing; op een geïdealiseerd mensbeeld? Zo ja, dan heeft dit natuurlijk gevolgen voor de democratie, althans zoals we haar nu kennen.” Een voorbeeld: „Wilders is per slot van rekening ook democraat.”

Marijn Kruk (1971) is freelance journalist te Parijs