Spelen met de Duitsers

De kinderen vonden de soldaten „aardige jongens”.

Kind in de Oorlog Ned. 2, 18.35-19.20 uur

Voor wie de Tweede Wereldoorlog alleen uit boeken kent, is het steeds confronterend als mensen die de oorlog wel hebben meegemaakt daar over vertellen. Dan kan je je ineens oncomfortabel goed voorstellen hoe het was.

In de documentaire Kind in de oorlog vertellen Utrechtenaren over de oorlog die ze als schoolkinderen hebben meemaakt. Ze vonden de Duitse soldaten „aardige jongens” en speelden wel eens met ze, ook al mocht dat niet van thuis. Maar de Jeugdstorm, „daar had je natuurlijk diepe minachting voor”.

In de documentaire worden historische beelden van de Wittevrouwenbuurt in Utrecht afgewisseld met interviews met de buurtkinderen van toen. Die gesprekken zijn bijna luchtig. Ook als Ruth vertelt dat vlak na de capitulatie alle kinderen één voor één bij het hoofd van de school moesten komen. Ze kregen te horen dat ze niet meer mochten spelen met klasgenote Tinneke Schieburgh omdat haar vader bij de NSB zat, maar dat ze haar óók niet mochten pesten. Tinneke: „Dat pesten gebeurde toch. Als ze me iets aandeden, waren ze altijd gezamenlijk erg tevreden.”

De opzet is chronologisch, de toon blijft beheerst. Na het wegvoeren van de Joodse buurtgenoten komen de razzia’s in de straat voor de Arbeitseinsatz, en daarna de bommen, en de hongertochten.

Het doel was om een kinderperspectief te schetsen van de oorlog, en dat is gelukt. Dat het spannend is als er een piloot door het dak stort, niet gruwelijk. Licht onbevredigend is toch dat onbesproken blijft hoe het deze kinderen later verging, omdat we weten dat kinderen oorlogen lang met zich meedragen.