Slaapwandelen

In een wandelhotel zijn ook verregende gasten met druipende jassen welkom. John Jansen van Galen over hotelwensen van wandelaars.

Aan het eind van de middag wandel je een landweggetje in en zie je in het nevelige dal opeens het dorp liggen. De spits van de kerktoren is diep onder je, de Sint Brigida-den staat er naast. Over smalle paden langs meidoornheggen daal je af door draaihekjes in de weiden, die hier stegelkes heten. Paarden grazen op de hellingen, buizerds zweven boven de vallei en op een splitsing hangt een gouden Jezus aan het kruis. Dan loop je Noorbeek in, waar je in de herberg logies voor de nacht zult vinden. Boven een standaard in de gang staat ‘Bergschoenen hotelgasten’ en de herbergierster heet de wandelaar hartelijk welkom.

Zoals ze in Suriname logeren ‘eten met blijven’ kennen, om aan te geven wat daarbij het voornaamste is, hebben wij een grote voorkeur voor ‘wandelen met blijven’. Het hoogtepunt is wat V.S. Naipaul het raadsel van de aankomst noemde. We waren die dag ’s morgens vroeg uit Maastricht vertrokken, hadden door het Savelsbos en door het Limburgse heuvelland gezworven, rustten bij het kasteel van Mheer, gingen opnieuw omhoog en daar lag Noorbeek, onze bestemming. De aankomst is altijd een verrassing, of je nou naar Vasse, Barchem, Vorden, Slenaken, Epen of Ampsen wandelt.

Dan trek je de wandelschoenen uit, bestelt rozig en voldaan een glas wijn, en daarna nog een. Aan de stamtafel in de gelagkamer neem je het streeknieuws door en na de avondmaaltijd maak je een ommetje door het dorp om eens te zien hoe men hier zijn huiskamer inricht en de zaterdagavond doorbrengt. Je gaat vroeg naar bed en slaapt als een roos.

Eens waren we vanuit Vaals via het Drielandenpunt door zware bossen langs dassenburchten en mergelgroeven afgedaald naar het dal van de Geul, die meanderend noordwaarts kabbelt door grazige oeverlanden onder geboomte dat uitbundig getooid is met maretak. Vermoeid bereikten we de Volmolen, waar ze vroeger schapenwol ‘volden’ (persten) voor linnen; een schaapskudde graasde in de glooiende weiden en recht voor ons voerde een houtsnipperpad door zompige grond naar de de witte houtvakwerken gevel van het ‘wandelhotel’ bij Epen („geen tv op de kamer, geen minibar” maar „goede bedden”). Voldaan keken we vanaf het terras uit op de beboste heuvelrijen, links het Vijlenerbosch, links het Onderste en Bovenste Bosch. Deze dag nam niemand ons meer af.

Informeel

Wat maakt een hotel tot wandelhotel? Sommige noemen zichzelf zo, maar dat is geen garantie. In de eerste plaats gaat het om de ligging, een wandelhotel ligt aan de rand van, of beter nog middenin, uitgestrekt wandelgebied. In de tweede plaats moet de wandelaar er zich welkom weten. Hij moet niet, zoals ons eens overkwam, misprijzend bekeken worden omdat hij er verregend en verkleumd arriveert. Nee, dan het hotel waar de eigenaresse, toen we als verzopen katten incheckten, fijntjes zei: „Het diner is informeel.” Toen wij een uurtje later gewassen en verkleed voor het borreluur verschenen, merkte ze op dat er blijkbaar nog heel wat in zo’n rugzakje gaat.

Het moet er in een wandelhotel niet te formeel aan toe gaan, maar al te gezellig moet het ook weer niet worden. Dat er vaak bordspellen gereedstaan voor vertier in de avonduren is prima, maar je moet je niet min of meer verplicht gaan voelen met andere wandelaars te mens-erger-je-nieten.

Een wandelhotel moet matig geprijsd te zijn; de wandelaar komt er niet om van zijn kamer te genieten, maar alleen om te eten en te slapen. Dat op de balie veelal gratis wandelroutes liggen is meegenomen, al kun je de meeste wandelaars ook zonder folders om een boodschap sturen. Beter is het (en daar schort het vaak aan) als de uitbaters een beetje op de hoogte zijn van de omgeving en je kunnen wijzen op de vindplaats van de slanke sleutelbloem of het zinkviooltje en op een processie of demonstratie vendelzwaaien in de buurt, en je desgevraagd de spelregels van het klootschieten uit de doeken kunnen doen. Ten slotte is het een pluspunt als je er al om acht uur kunt ontbijten: de doorsnee wandelaar wil weer vroeg op pad.

Het mooiste moment komt de volgende morgen bij het ontwaken, als alles nog zondagsstil is en een teer zonnetje een haast transparant licht over de landerijen werpt. Voor negenen loop je al door de dreven, niemand kom je tegen behalve een boer op de fiets die steevast groet, van verre beieren torenklokken hun oproep tot kerkgang over het land. En als je in het begin van de avond terugkeert heb je het gevoel alsof je lang en ver van huis bent geweest, op vakantie in een vreemd en toch zo dichtbij land.