Onder de grond organiseren de Syriërs hun hoop

Het Syrische stadje Sabadani ligt in puin. Maar in de kelders van de kapotgeschoten huizen hebben bewoners een eigen gemeenteraad, een rechtbank en een ziekenhuis opgericht. „Als een van ons sterft, moet de volgende het kunnen overnemen, zonder dat alles instort.”

Straßenszene Sabadani, Gebäude, Zerstörungen. Der Spiegel

Het is een uur vóór zonsopgang. De stad doemt op tussen de berghellingen. Een verkenner steekt zijn hand op, de rebellen blijven onmiddellijk staan. Alleen hun ademhaling is hoorbaar. En een steen die van de berg rolt.

Met een nachtkijker speurt de eerste man in de colonne het landschap af. Zachtjes vraagt hij via de radio: „Is alles rustig?” Krakend luidt het antwoord: „Ja, alles is rustig, er is geen beweging bij de vijandelijke posten.” Het leger van president Bashar al-Assad kan het radioverkeer afluisteren, maar heeft geen idee waar de opstandelingen zich bevinden. Weer een teken, en de rebellen lopen langzaam verder het dal in, naar Sabadani.

Gelegen tussen boomgaarden aan een rivier was deze stad ooit een toevluchtsoord voor inwoners van Damascus, die er in de weekends naartoe kwamen om aan de meedogenloze hitte van de hoofdstad te ontsnappen. Restaurants stonden hier naast vakantieappartementen en de koning van Saoedi-Arabië had een villa aan de rand van de stad. „We zijn hier echt niet vanwege de armoede de straat opgegaan”, zal de boekhouder van de ondergrondse gemeenteraad later vertellen over het begin van de opstand. De betogingen werden gevolgd door beschietingen, aanvallen van het leger, gevechten van huis tot huis, wapenstilstanden en weer nieuwe gevechten.

Nu is Sabadani een grote, bijna volledig zwarte vlek in de nacht, omringd door de lichtjes van stellingen van het leger op de bergkammen. De stad is al veertien maanden compleet omsingeld en wordt door tanks beschoten. Alleen in maanloze nachten, na urenlange tochten door de bergen, kun je er komen.

De kersenbomen dragen witte bloesems, en met de nachtelijke wind komt hun geur onze kant op. Plotseling klinken er twee schoten door de nacht. Geen reden voor bezorgdheid, fluistert iemand: „Soms schieten de soldaten alleen maar om te laten zien dat ze nog wakker zijn, zodat niemand ze aanvalt.”

Als we de eerste huizenrijen naderen, doemt uit het donker een schaduw op. Mompelend begroeten de mannen elkaar. De reis gaat verder in een auto zonder voorruit en zonder lichten, in een beangstigend snelle vaart de zwarte ruïnestad in. „Licht is niet goed”, zegt de bestuurder, terwijl hij door de duisternis laveert. Dan trek je de aandacht van scherpschutters. Hij stelt zich voor als ‘Ankar’. Hij is advocaat. Fijn om te weten, maar op dit moment is het belangrijker dat hij goed in het donker kan zien. We rijden een steeg in, tussen een paar hoge huizen. Uit een souterrainwoning komt wat licht naar buiten.

Als de stad de volgende ochtend ontwaakt door het geluid van artillerievuur in de omgeving, lijkt alles verlaten. Een paar katten rennen over straat. Maar zo nu en dan loopt er iemand naar buiten. Zelfs een paar winkels openen hun deuren, al is het assortiment karig. Drie rebellen leunen tegen een muur.

In vredestijd woonden er 40.000 mensen in Sabadani; moslims en christenen. Daarvan zijn er 3.000 gebleven. Uit trots, uit angst, of om de stad te verdedigen. Zij die bleven, wonen in kelders of op de begane grond. Vanaf de eerste verdieping zijn alle gebouwen verlaten. Dat de grond in het dal ooit duur was, en de huizen daardoor vaak vijf verdiepingen tellen, heeft veel levens gered. „Een voltreffer van een tankgranaat verwoest ongeveer één etage”, zegt een van de rebellen, tevens bouwkundig ingenieur. „Omdat ze bijna altijd van boven inslaan, houden wij het hieronder nog wel even vol.”

Met een zekere regelmaat wordt de stad onder vuur genomen. Verdieping voor verdieping wordt verwoest. Iedere week sneuvelen er wel een paar mensen.

Maar de ondergrondse stad heeft in de loop van de tijd een geraffineerd onafhankelijk bestaan ontwikkeld. Ruim een jaar geleden kwamen vijftig vertegenwoordigers van de grote families van Sabadani bijeen om een vijftienkoppige gemeenteraad te kiezen. Die organiseert nu de levensmiddelenvoorziening, het ondergrondse ziekenhuis, de politie, de rechterlijke macht en zelfs de nachtelijke vuilnisophaaldienst. Want alleen als de straten vrij zijn van vuilnis, kan er ’s nachts zonder licht doorheen gereden worden.

De gemeenteraad heeft een begroting en een eigen pagina op Facebook. Daar staat ook wat er met het geld gebeurt, dat voor het grootste deel afkomstig is van Syriërs in ballingschap en dat in contanten over de bergen moet worden gedragen. Er is een keldergevangenis, waarin twee soldaten en twee inbrekers zitten, en er is zelfs een verhoorkamer. Aan de deur hangt een A4’tje waarop alles staat wat verplicht en verboden is: een vertegenwoordiger van de rechtbank mag mensen niet slaan of beledigen, niemand mag eigenmachtig beslissingen nemen.

De directeur van de gevangenis en de voorzitter van de gerechtelijke commissie – de een was boer en de ander advocaat – vertellen over het nieuwe rechtsstelsel: „We hebben documenten voor iedere procedure; we inventariseren gestolen goederen, zodat de eigenaren zich kunnen melden; en we hebben twee moordzaken onderzocht.” Die vonden plaats toen twee rebellengroepen ’s nachts per ongeluk op elkaar schoten, in de veronderstelling dat de anderen van het leger waren.

„En we zijn van plan uniformen voor de politie aan te schaffen”, vervolgt de advocaat, „en identiteitskaarten met foto’s!” Maar hij geeft toe dat ze voorlopig al blij zijn als ze de volgende dag nog in leven zijn. „Precies daarom hebben we behalve mensen ook instellingen en regels nodig. Als een van ons sterft, moet de volgende het kunnen overnemen, zonder dat alles instort.”

Een paar ruïnes verder zit de boekhouder van de gemeenteraad achter een computer in zijn kelder. Hij opent Excel-spreadsheets en trekt ordners met bonnetjes van de planken. Hij is verantwoordelijk voor de belangrijkste taak van de gemeenteraad: de financiële administratie en de humanitaire hulp voor de bewoners en de vluchtelingen in de omliggende dorpen. Zo’n 150 tussenpersonen werden door hun families en clans aangewezen om de distributie te garanderen. Op die manier krijgen ruim 20.000 mensen kleine donaties: iedere familie krijgt voor één of twee maanden 3.000 lira, ongeveer 20 euro. „Dat is niet veel, maar zij moeten weten dat we er zijn.”

Overal in Syrië waar het regime de controle is kwijtgeraakt, zijn het afgelopen jaar zulke raden ontstaan. Hun kracht – het feit dat ze lokaal functioneren – is ook hun zwakte: ze verdelen het land in honderden autonome zones. Maar tussen de strijdende rebellen en de desolate oppositie in ballingschap groeien ze uit tot een derde macht. Op een conferentie in het Turkse Ankara in december kwamen ruim honderd afgevaardigden uit heel Syrië bijeen. Zij willen zich in het hele land organiseren en worden gesteund door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Maar het is een gevecht tegen de tijd. Het ondergrondse ziekenhuis van Sabadani heeft nog maar twee verdiepingen boven zich. „We moeten snel een andere plek zoeken”, zegt tandarts Mohammed Chair Charita, „Maar waarheen? We zijn al drie maal verhuisd”.

In de operatiekamer bekommeren een chirurg en een verpleegster zich om een man die alleen nog kan fluisteren dat hij geluk heeft gehad. Tweeëntwintig dagen eerder werd hij bij een controlepost van het leger in de buurstad Bludan uit zijn taxi getrokken en door iemand van de veiligheidsdienst verhoord. Waarom werkte hij voor de terroristen? Maakte hij soms deel uit van de samenzwering van Al-Qaeda en Israël? „Absurd”, mompelt hij. „Als ik op de zwarte lijst van het regime zou staan, zou ik nooit naar hun controlepost zijn gekomen.”

Dagenlang bewerkten de beulen van Assad hem met stroomstoten, totdat hij geboeid op straat werd geworpen en de afgelopen nacht door boeren naar Sabadani werd gedragen. De elektroden hebben pikzwart, dood weefsel op zijn tenen en handen achtergelaten.

Er zijn zeven artsen in dit ziekenhuis, onder wie zelfs een neurochirurg. Wie te zwaar gewond is om hier te worden behandeld, moet te voet de bergen over worden gedragen, naar Libanon. „Velen overleven dat niet”, zegt de chirurg tijdens de middagpauze in een naburige kelder.

Anderen mengen zich in het gesprek en vertellen waar ze dringend behoefte aan hebben. De discussie eindigt met de apathie van het Westen en de recente eed van trouw die de radicale groepering Al-Nusra aan Al-Qaeda heeft gezworen. „Krankzinnig” vindt een jonge anesthesist dat. „We zijn tegen dergelijke waanzin. Maar zij vechten wél tegen Assad, en ze vinden daarbij ook de dood. De Verenigde Staten hebben hen tot terroristen uitgeroepen, maar” – hij gaat naar de ernaast gelegen kamer en komt terug met een eerste-hulprugzak voor gevechtsmissies – „dit hier is tot nu toe de enige hulp uit Amerika voor Sabadani. Welk recht heeft Amerika dan om te oordelen?”

De strijd tegen de tanks kunnen ze niet winnen, geeft Abu Adnan toe, de commandant van het Hamsa-bataljon, de grootste rebellengroepering van Sabadani. „Wij zitten hier beneden, en zij daar boven.” Toch hebben ze een paar seconden winst geboekt, die het verschil tussen leven en dood kunnen uitmaken. Bij alle tankstellingen liggen inmiddels verkenners van de rebellen tussen de bomen en struiken. Bij de belangrijkste stellingen zijn camera’s geïnstalleerd, die hun beelden doorgeven aan een ondergrondse controleruimte in Sabadani. Als een tank zijn motor start, wordt er al alarm geslagen: „Kassif! Kassif! Kassif!” Granaten! De waarschuwing via de radio drijft iedereen binnen een paar seconden de huizen in.

Tanks hebben de helft van de toren van de orthodoxe kerk van Sint Marcus weggeschoten, het dak van de ruim duizend jaar oude moskee is na meerdere treffers ingestort. Ook de katholieke kerk, het klooster, het station en het culturele centrum zijn verwoest. Zelfs op het kerkhof zijn mannen een halve nacht bezig geweest van de straat bijeengeveegde botten en schedels opnieuw te begraven in een krater tussen de graven.

Slechts één gebouw midden in het centrum van de stad is tot nu toe verschoond gebleven van de beschietingen: het kantoor van de staatsveiligheidsdienst van het regime, waar twintig man onder bevel van een zekere kolonel Assam nog steeds standhouden. De staatsveiligheidsdienst maakt eigenlijk deel uit van de organen die zich in Syrië schuldig maken aan staatsterreur. Maar in Sabadani hebben kolonel Assam en zijn manschappen zich buiten de gevechten gehouden. Zij hebben geen betogers opgepakt of gedood, en zijn ook niet overgelopen. Ze zijn eenvoudigweg blijven zitten waar ze zaten.

„Zij doen ons niets en wij doen hen niets”, zo beschrijft commandant Abu Adnan de situatie. „Zolang zij daar zitten, sluit het regime de stroom niet af en worden we niet aangevallen met Scud-raketten of met gifgas.” Omdat de telefooncentrale van Sabadani direct naast het gebouw van de staatsveiligheidsdienst ligt, kunnen de kelderbewoners tot nu toe ook internationaal blijven bellen.

Vóór het gebouw hebben de rebellen wachtposten neergezet, zodat niemand de mannen van kolonel Assam aanvalt. In groepjes van twee en onbewapend mogen ze op grond van een afspraak met de gemeenteraad ’s ochtends inkopen doen in de overgebleven winkels. En de kolonel kan zoals gewoonlijk aan Damascus doorgeven dat hij alles onder controle heeft.

Deze voortzetting van de oorlog met andere middelen klinkt ongewoner dan zij feitelijk is. Op verschillende plekken zijn er zelfs wapenstilstanden. Het leger is zo uitgedund, dat het louter nog ergens troepen heen kan sturen als die elders worden weggehaald. Ook in Sabadani onderhandelt de gemeenteraad al sinds weken via bemiddelaars met de commandant van de vierde tankdivisie over een gevechtspauze. De fruitbomen bloeien en de imkers moeten naar buiten kunnen met hun bijenvolken, zonder door het leger te worden beschoten.

Maar iets anders geeft de werkelijke doorslag: beide kampen hebben de bergpassen nodig. Bij Sabadani, in het dorp Ain Hur, lopen de paden en tunnels voor de met het regime van Assad verbonden Hezbollah. Langs deze route brengt die haar raketten en andere wapens vanuit depots in Damascus naar Libanon, en stuurt zij konvooien van strijders naar Syrië. Verder naar het zuiden ligt de autoweg van Damascus naar Beiroet, de laatste veilige verbinding met het buitenland waarover het regime beschikt. Als de rebellen hier zouden aanvallen, zou het hele gebied een gevechtszone worden.

Daar heeft niemand belang bij. Want ook de ingesloten bewoners van Sabadani hebben hun smokkelpaden nodig om medicijnen, wapens en voedingsmiddelen over de besneeuwde bergen van ruim 2.000 meter hoog de belegerde stad binnen te kunnen dragen. Geen van de groepen koeriers uit Sabadani gaat daarbij onbeschermd op pad. Steeds volgt op enige afstand een man die moet controleren of de groep niet door soldaten van het leger wordt gevolgd.

Op een van deze nachten wordt het vertrek van een rebellengroep plotseling afgelast: langs de weg zou een legereenheid een hinderlaag hebben gelegd. De verkenners van de rebellen hebben gezien dat soldaten zich verstopten.

Beide partijen zijn tegelijkertijd jager en prooi. Over de radio worden twee binnenkomende groepen koeriers gewaarschuwd. Ze wachten urenlang tot de soldaten zich hebben teruggetrokken en de rebellen weer verder kunnen lopen. De koeriers komen nog net op tijd in de stad aan, voordat de dag weer aanbreekt in Sabadani.

© Der Spiegel 2013. Vertaling Menno Grootveld