Nederland zit vol verzwegen oorlogsdrama’s

In De vergelding vertelt Jan Brokken de verzwegen oorlogsgeschiedenis van het dorp Rhoon bij Rotterdam. Overal in Nederland roept zijn boek pijnlijke herinneringen op.

Een uur lang heeft Jan Brokken over zijn boek De vergelding verteld en het publiek heeft ademloos zitten luisteren. Nu kunnen er vragen worden gesteld.

Diepe stilte.

Honderd mensen zitten er in het Kasteel van Rhoon – meer pasten er niet bij – en ze zwijgen allemaal. Buiten is de zon doorgebroken, een merel zingt zijn lentelied. Het is zondagmiddag 21 april.

„Niemand?”, vraagt Brokken.

Hij heeft net verteld dat hier in deze zaal de Duitse officieren dansten met vrouwen uit het dorp. Hij liet een film zien die begon met beelden van het voortrazende verkeer op de A15 tussen Rhoon en Rotterdam-Zuid, begeleid door de eerste maten van Beethovens Mondscheinsonate. Onder het asfalt liggen de resten van Het Sluisje. Dat is de plek waar op 11 oktober 1944 zeven Rhoonse mannen gefusilleerd werden als vergelding voor de dood van een Duitse soldaat. Die was de avond ervoor tegen een elektriciteitskabel opgelopen. Vijfhonderd volt. Een jongen van net achttien.

Wie de elektriciteitskabel had losgemaakt en waarom – daar gaat Brokkens boek over.

„Echt niemand?”, vraagt hij aan het publiek.

Een wat oudere man staat op en zegt dat hij Brokken graag wil bedanken. „U heeft het verhaal van mijn vader verteld dat hij zelf nooit heeft willen vertellen.” Hij vouwt zijn handen voor zijn buik en buigt zijn hoofd.

„Dank u”, zegt Brokken. „Heeft u misschien een vraag?”

Maar de man schudt nee en gaat weer zitten.

Ze durven niet, mailt Brokken (1949) een paar dagen later. Overal in het land, bij al zijn lezingen – van De vergelding zijn in drie maanden 60.000 exemplaren verkocht – vertellen mensen hem over dingen die hun ouders of grootouders hebben meegemaakt en waar ze nu pas achter zijn gekomen. Maar in Rhoon houden ze hun mond. In elk geval als er dorpsgenoten bij zijn.

De broer van de kapper zat recht voor me, mailt Brokken. De kapper – in het boek heet hij Huub Droogscheerder – knipte na de bevrijding de meisjes en vrouwen die met Duitse soldaten waren omgegaan kaal en verfde met menie een hakenkruis op hun schedel. Brokken: „Ik weet precies wat die man me had willen vragen. Hij wilde weten of mijn andere informanten ook zo geschrokken waren van de impact van mijn boek.”

In De vergelding heeft Brokken iedereen een andere naam gegeven, maar daarmee heeft hij niet kunnen verhinderen dat er op internet lijsten rondgaan met de echte namen. Ook worden met hernieuwde energie schuldigen aangewezen. Brokken geeft in zijn boek vier scenario’s, geen uitsluitsel. Na 69 jaar kan een gebeurtenis uit de oorlog mensen nog steeds boos maken, of verdrietig, of bang, of bitter, of opgelucht.

Wim Spoormaker (1951) is een volle neef van twee mannen die op Het Sluisje woonden en op 11 oktober werden doodgeschoten: de machinist van het stoomgemaal en een van zijn zoons. Het verhaal in Rhoon was altijd dat de machinist niet snel genoeg in actie kwam toen de Duitsers hem bevalen de elektriciteitskabel door te knippen. Had hij het wel meteen gedaan, dan was de Duitse soldaat niet gestorven en was er niets gebeurd. De oom van een van de andere mannen die werden doodgeschoten zei na de oorlog dat de machinist ‘aan dit alles de meeste schuld heeft’.

Dat heeft in Rhoon 69 jaar lang kwaad bloed gezet. En het verhaal bleek niet te kloppen.

Spoormaker – hij had tot voor kort een automobielbedrijf – weet door het boek dat de Duitsers eerst bij drie andere huizen om hulp hadden gevraagd voordat ze bij de machinist aanbelden. De soldaat was toen waarschijnlijk al dood. Ze waren met een paar Rhoonse meisjes bij Dirkje Veth geweest, terwijl ze moesten patrouilleren. Dat moesten ze eerst zien te verbergen. Bij Dirkje Veth thuis hadden ze gedronken en gevreeën.

De kinderen van de machinist hebben niet aan het boek willen meewerken. Wim Spoormaker begrijpt dat wel. De machinist en zijn zoon woonden naast de plek waar de elektriciteitskabel was losgemaakt en één van de scenario’s is dat zij dat hadden gedaan. „Dat zou ik wel erg vinden”, zegt hij.

Zijn hele leven is Spoormaker al in geschiedenis geïnteresseerd. Het heeft hem, zegt hij, mild gemaakt. Hij vertelt over de jongen op Het Sluisje die ook door de Duitsers zou worden doodgeschoten, maar op het laatste moment door zijn vader werd vrijgekocht met twee vetgemeste varkens. Een neef van de jongen werd toen in zijn plaats doodgeschoten. „Mensen in het dorp zeggen: dat zoiets kan gebeuren. Ik zeg: het gebeurt altijd, overal, tot op de dag van vandaag.”

Het was díe vader die na de oorlog de machinist van het stoomgemaal de schuld gaf.

De film die Brokken in het Kasteel van Rhoon liet zien, is van Spoormaker. Er zitten beelden in die zijn vader – een andere zoon van de machinist – maakte nadat de zeven mannen waren doodgeschoten. Hun huizen werden in brand gestoken, hun gezinnen waren verjaagd.

Bert Euser (1948) is wethouder en loco-burgemeester van Albrandswaard, de gemeente waar Rhoon nu onder valt, samen met Poortugaal en Portland. Een jaar of wat geleden was hij begonnen met een onderzoek naar politieke en bestuurlijke geschiedenis van Rhoon – de burgemeester was fout in de oorlog. De mensen met wie hij sprak begonnen altijd weer over die zeven mannen die geëxecuteerd waren. „Iedereen had er een ander verhaal over en toen dacht ik: laat ik de mensen die in de oorlog op Het Sluisje woonden eens gaan interviewen.”

Het werden 185 gesprekken.

Op een dag, in 2006, kwam Brokken naar Rhoon om over zijn autobiografische roman Mijn kleine waanzin te vertellen. Brokken groeide op in Rhoon – zijn vader was daar dominee – en leden van het voormalig verzet hadden hem geheime rapporten over de gebeurtenissen op Het Sluisje gestuurd. Euser stapte op Brokken af – ze kenden elkaar van vroeger – en ze besloten te gaan samenwerken.

Jan Brokken bestudeerde tienduizenden pagina’s aan documenten.

„Mijn voorwaarde was dat er in het boek niet geoordeeld zou worden”, zegt Euser. „Maar dat was Jan ook helemaal niet van plan. Goed of fout – dat loopt allemaal door elkaar heen. Het ging ons om de feiten.”

Euser hoopte dat ze erachter zouden komen wie de elektriciteitsdraad had losgemaakt. Dat het niet gelukt is, vindt hij jammer. „Maar het kan altijd nog. Ik hoop nog steeds dat er op een dag iemand opstaat en zegt: het was mijn vader. En dat daar dan ook bewijs voor is.”

Sinds de verschijning van De vergelding heeft Euser al weer 25 interviews gehouden. Allemaal mensen die met nieuwe feiten komen, nieuwe inzichten, nieuwe mogelijkheden. Hij zinspeelt op De vergelding deel II.

Dat het boek commotie in Rhoon zou veroorzaken had Euser wel verwacht. Zijn eigen moeder vroeg hem waarom hij in godsnaam ‘in die stront ging roeren’. Door het onderzoek is hij erachter gekomen dat zijn vader een volle neef van Dirkje Veth was, de vrouw bij wie de Duitsers konden drinken en vrijen. Hij weet nu ook dat de man van Dirkje Veth zijn gezin aan het begin van de oorlog in de steek had gelaten om zich in Engeland bij de Prinses Irene Brigade aan te sluiten. Dirkje Veth had geen bron van inkomsten en wel drie kleine kinderen, van wie één gehandicapt. Dat kind stierf. Toen de twee andere kinderen bijna waren verhongerd en niemand haar wilde helpen, was ze voor de Duitsers gaan werken – in 1944.

„Je kunt het maar beter allemaal weten”, zegt Euser. „Hoe meer je weet, hoe milder je wordt.”

Voor Spoormakers film: zoek bij YouTube op Rhoon De Vergelding.