Lekker boek over lekker slapen, maar weinig exact

David Randall: Slaap lekker. Maven, 255 blz., € 18. (Vert. R.van de Weijer en S. Wagenaar.)

‘Slaap lekker. Nou, dat kan ik wel gebruiken. Ik sliep pas om vijf uur vannacht.’ De man tegenover me in de metro lacht schamper. Als een boekomslag de tongen van medereizigers losmaakt, is er iets met het onderwerp aan de hand.

Dat weet David Randall ook. Hij schreef Slaap lekker nadat hij op een nacht wakker was geworden op de vloer, bij de voordeur van zijn huis. Randall is overdag economisch redacteur bij persbureau Reuters, maar ’s nachts slaapwandelt hij. ‘Slaap lekker’ is zijn eerste boek.

Omdat slaap moeiteloos de interesse van de gemiddelde man of vrouw in de metro wekt, zijn er al veel populair-wetenschappelijke boeken over geschreven. Wat daarin aan de orde komt, ligt voor de hand. Iets evolutionairs (slapen bij dieren), iets met het brein (hersenactiviteit tijdens de slaap, dromen), iets sociaals (slaap vroeger en nu, de effecten van slaapgebrek), iets medisch (slaapstoornissen).

‘Slaap lekker’ is ook zo’n boek. Al kan het aan Randalls eigen ervaringen liggen dat hij slaap vooral als een probleem beschrijft. De meeste westerlingen slapen te weinig, doordat ’s avonds het elektrisch licht altijd aan is. Miljoenen Amerikanen slikken slaappillen. Veel mensen, vooral die te dik zijn, lijden aan slaapapneu, een slaapaandoening waarbij de adem stokt. En – verrassend – veel samenwonenden, met name vrouwen, slapen aantoonbaar slechter als ze met hun partner in bed liggen. Terwijl ze zeggen dat ze het samen slapen juist heerlijk vinden.

Het meest op dreef is Randall als hij schrijft over zijn eigen akkefietje, in een hoofdstuk dat begint met: ‘Het was geen goede nacht om Ken Parks te zijn.’ De Canadees Parks vermoorde die nacht zijn schoonmoeder, en zijn schoonvader bijna. Hij was met de auto naar zijn schoonouders gereden en had hen toegetakeld met een bandenlichter. Achteraf kon hij zich niets herinneren. Parks verklaarde dat hij al die tijd had geslapen. Parks werd vrijgesproken.

Randall komt met meer voorbeelden van haast ongelofelijke ongelukken en geweldsuitspattingen tijdens slaapwandelen. Hij sprak met een Amerikaanse neurowetenschapper die de lastige taak heeft om onfortuinlijke slaapwandelaars van liegende criminelen te onderscheiden. Een belangrijk criterium is, legt Randall uit, dat de dader tijdens de daad ongevoelig is voor pijn. Parks had zichzelf tijdens de moord tot bloedens toe in de armen gesneden, maar kwam daar pas in het politiebureau achter.

‘Slaap lekker’ bevat weinig exacte kennis. Soms komt dat omdat die kennis er gewoonweg niet is: je kunt een slaapwandelaar nu eenmaal niet in de scanner leggen om te zien welke hersengebieden actief zijn. Maar vaker mist Randall zelf precisie. Dat Parks’ slechte nacht al in 1987 plaatsvond, staat bijvoorbeeld niet in het boek. En hij schrijft niet expliciet dat slaapwandelen vooral in de diepe slaap plaatsvindt, en niet tijdens de droomslaap (REM-slaap). Dat is tegenintuïtief, maar Randall wijdt er geen tekst aan – bijna het hele hoofdstuk gaat over de juridische implicaties van bloedige slaapwandelingen.

‘Slaap lekker’ lijkt dan ook niet bedoeld om de lezer basiskennis over slapen bij te brengen, al suggereert de achterflap anders. ‘Ontdek waarom baby’s het verschil niet voelen tussen dag en nacht’, staat daar bijvoorbeeld. Maar Randalls antwoord gaat niet verder dan de constatering ‘dat de inwendige klok van de zuigeling zich nog moet vormen’. Vervolgens legt hij uit hoe je als jonge ouder een baby het best in slaap krijgt.

De beschrijving van de verschillende slaapfasen van de mens neemt minder dan één pagina van het boek in beslag. Het slaapgedrag van andere diersoorten wordt alleen terloops genoemd, en het boek heeft geen index.

Maar het leest lekker.